ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 21- januari 2022
Een gillende wereld in het lege veld Midden december was ik een avond op bezoek bij een echtpaar, veertigers van leeftijd. We spraken over hun staan in de maatschappij, over de snelle ontwikkelingen, hun visie op de toekomst van hun kinderen. Over grote veranderingen die iedereen wel voelt aankomen. Over het vinden van rust in een turbulente wereld. En zo vertelden zij over hun verblijf in een gehuurd huisje in Zuid Frankrijk. Ze hadden gekozen voor vakantie op een afgelegen plaats om samen een week te verblijven. Het was fijn geweest, die rust in de natuur, zittend bij het huisje, aan een open weiland waarover werd uitgekeken naar een bosrand. Maar het was ook beangstigend geweest. Vooral in de avond werd het pikkedonker, en kwam er een naar gevoel over hen heen. Zozeer dat ze niet buiten durfden blijven zitten, geen lichtschijn, ook geen maanlicht, geen oplichtende gloed aan de hemel van een naburige stad. En bovendien akelig stil: geen tractoren of auto’s, geen rumoer van buren, geen spelende kinderen. Dan maar naar binnen, licht aan, tot spreken komen, wat lezend luieren bij radio of tv. Bij elkaar blijven. Alsjeblieft niet die totale stilte en ondoordringbare duisternis in. Naar aanleiding van dit vakantieverhaal kwam in mij op dat ik in allerlei kloosters heb vertoefd, en reizen heb gemaakt over de aardbol, maar… nooit volkomen stilte en volledige duisternis heb meegemaakt. Ik herinner mij geen wandeling, niet hier, niet in Indonesië, niet in Chili in de heuvels van La Costa en niet in Tanzania in het woud, waar het werkelijk stil was of aardedonker. Overal was wel lichtvervuiling of geluidsvervuiling vanuit de omgeving. En verder terug: jaren geleden werkte ik in verschillende werkplaatsen en weet nog dat er altijd een radio moest aanstaan die afleiding gaf tijdens het handwerk. Dat moest. Viel die radio uit of werd hij uitgezet, dan kwam er onrust tot aan ruzie aan toe: de radio moest aan! Die radio gaf een verdubbeling waardoor men zich niet zozeer ingebonden voelde in het hier-en-nu van het eenvoudige handwerk. Bijzonder is het toch dat de moderne mens het niet meer aankan om op zichzelf terug te vallen en altijd iets nodig heeft dat hem of haar richting geeft in denken en doen, naar buiten-zichzelf, als verbreding en vulling van het simpele hier-en-nu dat voor hen blijkbaar niet genoeg is, dat voor hen leeg is. Uitkomen bij wat jij hier-en-nu precies bent… zonder de toevlucht naar dat buiten-zich- zelf te nemen: daar draait het om in een sesshin, in de oefening van stilte en bewegingsloosheid van het ego. Jaeger begon daar zijn sesshins mee: ‘Laat alles wat afleidt weg om zo uit te kunnen komen bij het ‘ik’ en te ervaren dat dit er zomaar is. Neem die kans en ga die stille ruimte in om het ‘ik’ zich te laten ontgrenzen.’ Met zulke uitspraken probeerde hij deelnemers te helpen om het dagelijkse drukke leven achter zich te laten en in te gaan in de stilte waarin het niet-alledaagse bewustzijn zich kan aandienen. Maar ook Jaeger moest vaak toezien hoe de mediterende mensen bezijden het zitten in stilte snel grijpen naar een interessant boek, naar een gespreksmoment, naar wandelen om structuur te vinden en die structuur vast te grijpen als houvast voor hun geest die in de structuurloze stilte langzaam een vloeiende geest wordt. Een vloeiende geest die de ervaring geeft dat het denken niet te sturen is, niet te bepalen is, maar dat elke gedachte zomaar komt. Een vloeiende geest - in een lichaam dat slechts zit – een geest die aanreikt dat elke adem en elke hartslag er zomaar is. Voor velen een onverwachte confrontatie met zichzelf als ze voor het eerst aan een sesshin deelnemen. Voor velen een moment van opkomende angst, van de ontdekking geen greep op de eigen geest en op het eigen lichaam te hebben. Voor wie de zen-weg gaat is die structuurloze stilte een ruimte om in te toeven, en ook méér een thuis als het dagelijkse doen waarin men in de illusie verkeert dat men zelf alles bepalen kan… Als het over de duisternis gaat, over het pikkedonker van het niet-(meer)-weten waarvandaan of waarheen, dan brengt zen het licht van de maan in. De maan is in de zen-traditie het teken van verlichting, van het zich realiseren van een intuïtief weten dat geen rationeel weten meer is. Teken van intuïtief weten dat het leven zich zomaar afspeelt in ons en in alles wat ons omgeeft. Alles zien en alles horen, maar daarbij in de ervaring blijven dat alles wat ik zie en hoor er zomaar is uit een bron die ik niet ken. De zen-mens leeft in die duisternis van het niet-(meer)-rationeel-weten als door de maan beschenen, zegt de traditie. Als door de maan beschenen in het open veld waar nog geen paden zijn, waar de weg zichzelf gaandeweg vormt, de weg die steeds nieuw is. In het licht van de maan dat géén zicht geeft… maar wel inzicht doet ontstaan in de aard van ons menselijke bestaan. Het lege veld door het maanlicht beschenen: dat is een prachtig beeld voor heel het menselijke leven. Ik ontkom er niet aan om te zien en te benoemen hoezeer individuele mensen en de mensheid als geheel worstelen met de beperktheid van het menselijke weten en kunnen. De corona pandemie is daarvan een actueel voorbeeld: wie had zich drie jaar geleden kunnen voorstellen dat de mensheid zich nu op de been moet houden met behulp van een bio-chemisch goedje, het vaccin? Wat weten we van de muterende virussen die van dieren op mensen overspringen, en terug in dieren gaan om opnieuw te muteren… en vandaar opnieuw weer mensen te besmetten… De knapste koppen tasten in het duister. En een tweede zeer actueel onderwerp is de dagelijks in de media te lezen vraag of de mensheid wel toekomst heeft op de overbevolkte aarde… Wie weet er voor dit probleem een oplossing die gedragen wordt door een zeker weten? Het lege veld waarin zomaar verschijnt wat uit vrijheid en uit zichzelf verschijnen wil… In zen leven we met het bewustzijn dat al wat verschijnt… leeg is van zichzelf, veranderlijk overgaande in ander nieuw verschijnen… Niets is blijvend, geen dier, geen mens, wat eigenlijk wèl…? In het lege veld leren we te leven met dat grote niet-weten waarvandaan of waarheen of waartoe? Het licht van de maan wijst de weg naar de ander in een leven zonder houvast, met als oer-menselijke trek elkaar in mededogen de hand te reiken waar dat maar kan. Wetend dat die menselijke handen onherroepelijk te kort zullen schieten om elkaar het zekere aan te kunnen reiken, om elkaar te redden uit veranderlijkheid, ook waar die veranderlijkheid als negatief wordt ervaren. Waar die veranderlijkheid niet zelden ook verwijst naar vergankelijkheid als de grootste beperktheid die ons mensen aankleeft. De traditie leert ons dat we gaande de zen-weg de ware aard van ons mens-zijn kunnen verkennen. Dat we voorbij wat we rationeel zeker willen weten het lege veld van niet- weten kunnen betreden. Daarbij verliezen we onszelf niet, maar leren we onszelf kennen als er zomaar zijnde in een leven zonder houvast. We leren onszelf kennen als mensen die slechts in het hier-en-nu ten volle leven, terwijl het verleden weg is en de toekomst nog moet komen. In het hier-en-nu, dat door denken of dromen niet te vermijden is, mogen we leren dat ons ego een voortdurend zich realiserende ervaring is, niet stabiel, niet al-vermogend, niet in staat de tijd stil te zetten, niet in staat de wereld vol verandering te beheersen. We leren onszelf als mensen kennen naar onze eigenlijke natuur, naar onze eigen natuur, niet los van de natuur van alles wat ons omgeeft zonder dat we er zelf ook maar iets van hebben kunnen máken: alles ís er zomaar vóóraf aan al ons weten, vóóraf aan al ons kunnen, vóóraf aan al ons máken. Leven in overgave, in mededogen het leven delend met onze naasten, opnieuw leren leven met het geheim dat ons leven is: wellicht kan dat ons helpen voorbij het vermeende zekere weten en voorbij de vermeende maakbaarheid van ons leven en van al wat ons omgeeft. Een moeilijke opgave is dat geworden voor de moderne mens: zichzelf en de medemens in verwondering te ervaren als er-zomaar-zijnde, als vrije gave vanuit het geheim van het bestaan. Moeilijk is het geworden te leven met een geheim, te leven in het geheim van ons bestaan. Moeilijk is het geworden zichzelf en de naaste te ervaren als een geheim dat we nooit kunnen doorgronden. De moeite waard lijkt het mij om steeds weer een periode van stilte in te gaan, midden in de maatschappij die zich altijd nog zal laten horen, de maatschappij waaruit niemand nog echt weg kan gaan. Maar toch kan het gebeuren dat de oefening van het zitten in stilte, afgewisseld met het meditatieve lopen en bewegen, ons een urenlange gang in het veld geeft. Het lege veld ingaan, het veld dat geleidelijk leeg wordt van het alledaagse. Het lege veld dat de bindende structuren van het alledaagse niet kent, of achter zich laat. Een bevrijdende en vernieuwende ervaring. Niet in woorden uit te zeggen, niet anders te delen dan door het samen te doen, die oefening die de zen-traditie ons aanreikt, die we een sesshin noemen. Maar weldadig vernieuwend voor wie zich er aan durft overgeven. Weldadig en wellicht ook helend bij het vinden van de eigenlijke aard van ons mens-zijn. Laatst kwam ik terug uit de stilte die enkele uren had mogen duren. Het geluid van de maatschappij was nooit helemaal weg geweest. Maar toch overkwam het me dat ik bij het weer ingaan van de drukte en bij het horen van het geweld mijzelf hoorde zeggen: “Tjonge jonge, wat is het toch een gillende wereld… die wereld van ons, vol boosheid en woede om wat we zelf zijn…” Een gillende wereld in het lege veld. Een wereld vol van overschatting van wat wij mensen zelf zijn. Onze eigen natuur van kwetsbaar en vluchtig leven vergeten. Niet meer in staat tot verwondering. De dank voor wat we samen zijn, die grondhouding van dank… verloren in woede om wat aan ons gebeurt. Een gillende wereld in het lege veld. Ik zou het velen gunnen iets van dat lege veld te leren kennen. Dat lege veld waarin wij…, waarin al wat er is… zomaar verschijnt. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 21 - januari 2022
Een gillende wereld in het lege veld Midden december was ik een avond op bezoek bij een echtpaar, veertigers van leeftijd. We spraken over hun staan in de maatschappij, over de snelle ontwikkelingen, hun visie op de toekomst van hun kinderen. Over grote veranderingen die iedereen wel voelt aankomen. Over het vinden van rust in een turbulente wereld. En zo vertelden zij over hun verblijf in een gehuurd huisje in Zuid Frankrijk. Ze hadden gekozen voor vakantie op een afgelegen plaats om samen een week te verblijven. Het was fijn geweest, die rust in de natuur, zittend bij het huisje, aan een open weiland waarover werd uitgekeken naar een bosrand. Maar het was ook beangstigend geweest. Vooral in de avond werd het pikkedonker, en kwam er een naar gevoel over hen heen. Zozeer dat ze niet buiten durfden blijven zitten, geen lichtschijn, ook geen maanlicht, geen oplichtende gloed aan de hemel van een naburige stad. En bovendien akelig stil: geen tractoren of auto’s, geen rumoer van buren, geen spelende kinderen. Dan maar naar binnen, licht aan, tot spreken komen, wat lezend luieren bij radio of tv. Bij elkaar blijven. Alsjeblieft niet die totale stilte en ondoordringbare duisternis in. Naar aanleiding van dit vakantieverhaal kwam in mij op dat ik in allerlei kloosters heb vertoefd, en reizen heb gemaakt over de aardbol, maar… nooit volkomen stilte en volledige duisternis heb meegemaakt. Ik herinner mij geen wandeling, niet hier, niet in Indonesië, niet in Chili in de heuvels van La Costa en niet in Tanzania in het woud, waar het werkelijk stil was of aardedonker. Overal was wel lichtvervuiling of geluidsvervuiling vanuit de omgeving. En verder terug: jaren geleden werkte ik in verschillende werkplaatsen en weet nog dat er altijd een radio moest aanstaan die afleiding gaf tijdens het handwerk. Dat moest. Viel die radio uit of werd hij uitgezet, dan kwam er onrust tot aan ruzie aan toe: de radio moest aan! Die radio gaf een verdubbeling waardoor men zich niet zozeer ingebonden voelde in het hier-en- nu van het eenvoudige handwerk. Bijzonder is het toch dat de moderne mens het niet meer aankan om op zichzelf terug te vallen en altijd iets nodig heeft dat hem of haar richting geeft in denken en doen, naar buiten-zichzelf, als verbreding en vulling van het simpele hier-en-nu dat voor hen blijkbaar niet genoeg is, dat voor hen leeg is. Uitkomen bij wat jij hier-en-nu precies bent… zonder de toevlucht naar dat buiten-zich-zelf te nemen: daar draait het om in een sesshin, in de oefening van stilte en bewegingsloosheid van het ego. Jaeger begon daar zijn sesshins mee: ‘Laat alles wat afleidt weg om zo uit te kunnen komen bij het ‘ik’ en te ervaren dat dit er zomaar is. Neem die kans en ga die stille ruimte in om het ‘ik’ zich te laten ontgrenzen. Met zulke uitspraken probeerde hij deelnemers te helpen om het dagelijkse drukke leven achter zich te laten en in te gaan in de stilte waarin het niet-alledaagse bewustzijn zich kan aandienen. Maar ook Jaeger moest vaak toezien hoe de mediterende mensen bezijden het zitten in stilte snel grijpen naar een interessant boek, naar een gespreksmoment, naar wandelen om structuur te vinden en die structuur vast te grijpen als houvast voor hun geest die in de structuurloze stilte langzaam een vloeiende geest wordt. Een vloeiende geest die de ervaring geeft dat het denken niet te sturen is, niet te bepalen is, maar dat elke gedachte zomaar komt. Een vloeiende geest - in een lichaam dat slechts zit – een geest die aanreikt dat elke adem en elke hartslag er zomaar is. Voor velen een onverwachte confrontatie met zichzelf als ze voor het eerst aan een sesshin deelnemen. Voor velen een moment van opkomende angst, van de ontdekking geen greep op de eigen geest en op het eigen lichaam te hebben. Voor wie de zen-weg gaat is die structuurloze stilte een ruimte om in te toeven, en ook méér een thuis als het dagelijkse doen waarin men in de illusie verkeert dat men zelf alles bepalen kan… Als het over de duisternis gaat, over het pikkedonker van het niet-(meer)-weten waarvandaan of waarheen, dan brengt zen het licht van de maan in. De maan is in de zen-traditie het teken van verlichting, van het zich realiseren van een intuïtief weten dat geen rationeel weten meer is. Teken van intuïtief weten dat het leven zich zomaar afspeelt in ons en in alles wat ons omgeeft. Alles zien en alles horen, maar daarbij in de ervaring blijven dat alles wat ik zie en hoor er zomaar is uit een bron die ik niet ken. De zen-mens leeft in die duisternis van het niet-(meer)-rationeel- weten als door de maan beschenen, zegt de traditie. Als door de maan beschenen in het open veld waar nog geen paden zijn, waar de weg zichzelf gaandeweg vormt, de weg die steeds nieuw is. In het licht van de maan dat géén zicht geeft… maar wel inzicht doet ontstaan in de aard van ons menselijke bestaan. Het lege veld door het maanlicht beschenen: dat is een prachtig beeld voor heel het menselijke leven. Ik ontkom er niet aan om te zien en te benoemen hoezeer individuele mensen en de mensheid als geheel worstelen met de beperktheid van het menselijke weten en kunnen. De corona pandemie is daarvan een actueel voorbeeld: wie had zich drie jaar geleden kunnen voorstellen dat de mensheid zich nu op de been moet houden met behulp van een bio-chemisch goedje, het vaccin? Wat weten we van de muterende virussen die van dieren op mensen overspringen, en terug in dieren gaan om opnieuw te muteren… en vandaar opnieuw weer mensen te besmetten… De knapste koppen tasten in het duister. En een tweede zeer actueel onderwerp is de dagelijks in de media te lezen vraag of de mensheid wel toekomst heeft op de overbevolkte aarde… Wie weet er voor dit probleem een oplossing die gedragen wordt door een zeker weten? Het lege veld waarin zomaar verschijnt wat uit vrijheid en uit zichzelf verschijnen wil… In zen leven we met het bewustzijn dat al wat verschijnt… leeg is van zichzelf, veranderlijk overgaande in ander nieuw verschijnen… Niets is blijvend, geen dier, geen mens, wat eigenlijk wèl…? In het lege veld leren we te leven met dat grote niet- weten waarvandaan of waarheen of waartoe? Het licht van de maan wijst de weg naar de ander in een leven zonder houvast, met als oer-menselijke trek elkaar in mededogen de hand te reiken waar dat maar kan. Wetend dat die menselijke handen onherroepelijk te kort zullen schieten om elkaar het zekere aan te kunnen reiken, om elkaar te redden uit veranderlijkheid, ook waar die veranderlijkheid als negatief wordt ervaren. Waar die veranderlijkheid niet zelden ook verwijst naar vergankelijkheid als de grootste beperktheid die ons mensen aankleeft. De traditie leert ons dat we gaande de zen- weg de ware aard van ons mens-zijn kunnen verkennen. Dat we voorbij wat we rationeel zeker willen weten het lege veld van niet-weten kunnen betreden. Daarbij verliezen we onszelf niet, maar leren we onszelf kennen als er zomaar zijnde in een leven zonder houvast. We leren onszelf kennen als mensen die slechts in het hier- en-nu ten volle leven, terwijl het verleden weg is en de toekomst nog moet komen. In het hier-en-nu, dat door denken of dromen niet te vermijden is, mogen we leren dat ons ego een voortdurend zich realiserende ervaring is, niet stabiel, niet al-vermogend, niet in staat de tijd stil te zetten, niet in staat de wereld vol verandering te beheersen. We leren onszelf als mensen kennen naar onze eigenlijke natuur, naar onze eigen natuur, niet los van de natuur van alles wat ons omgeeft zonder dat we er zelf ook maar iets van hebben kunnen máken: alles ís er zomaar vóóraf aan al ons weten, vóóraf aan al ons kunnen, vóóraf aan al ons máken. Leven in overgave, in mededogen het leven delend met onze naasten, opnieuw leren leven met het geheim dat ons leven is: wellicht kan dat ons helpen voorbij het vermeende zekere weten en voorbij de vermeende maakbaarheid van ons leven en van al wat ons omgeeft. Een moeilijke opgave is dat geworden voor de moderne mens: zichzelf en de medemens in verwondering te ervaren als er-zomaar-zijnde, als vrije gave vanuit het geheim van het bestaan. Moeilijk is het geworden te leven met een geheim, te leven in het geheim van ons bestaan. Moeilijk is het geworden zichzelf en de naaste te ervaren als een geheim dat we nooit kunnen doorgronden. De moeite waard lijkt het mij om steeds weer een periode van stilte in te gaan, midden in de maatschappij die zich altijd nog zal laten horen, de maatschappij waaruit niemand nog echt weg kan gaan. Maar toch kan het gebeuren dat de oefening van het zitten in stilte, afgewisseld met het meditatieve lopen en bewegen, ons een urenlange gang in het veld geeft. Het lege veld ingaan, het veld dat geleidelijk leeg wordt van het alledaagse. Het lege veld dat de bindende structuren van het alledaagse niet kent, of achter zich laat. Een bevrijdende en vernieuwende ervaring. Niet in woorden uit te zeggen, niet anders te delen dan door het samen te doen, die oefening die de zen-traditie ons aanreikt, die we een sesshin noemen. Maar weldadig vernieuwend voor wie zich er aan durft overgeven. Weldadig en wellicht ook helend bij het vinden van de eigenlijke aard van ons mens-zijn. Laatst kwam ik terug uit de stilte die enkele uren had mogen duren. Het geluid van de maatschappij was nooit helemaal weg geweest. Maar toch overkwam het me dat ik bij het weer ingaan van de drukte en bij het horen van het geweld mijzelf hoorde zeggen: “Tjonge jonge, wat is het toch een gillende wereld… die wereld van ons, vol boosheid en woede om wat we zelf zijn…” Een gillende wereld in het lege veld. Een wereld vol van overschatting van wat wij mensen zelf zijn. Onze eigen natuur van kwetsbaar en vluchtig leven vergeten. Niet meer in staat tot verwondering. De dank voor wat we samen zijn, die grondhouding van dank… verloren in woede om wat aan ons gebeurt. Een gillende wereld in het lege veld. Ik zou het velen gunnen iets van dat lege veld te leren kennen. Dat lege veld waarin wij…, waarin al wat er is… zomaar verschijnt. Kees van den Muijsenberg.