ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 20 - november 2021
Zend   o   Sengtsjan
Ruimte Vaak horen we dat er weinig ruimte is. Is er wel genoeg ruimte voor de binnenkort acht miljard mensen op aarde? Is er nog genoeg ruimte voor de natuur, in het bijzonder voor de grotere dieren en voor soorten die een uitgestrekt leefgebied behoeven? Als we nog ergens grondstoffen willen delven, dan raakt dat bijna altijd een biotoop van een complex stelsel van dieren en planten, een biotoop die er eeuwenlang was en die wij als mensheid eenvoudig in beslag nemen. Is er nog genoeg ruimte voor nieuwe woningen en voor bedrijven die zich willen vestigen in ons land? Is er nog ruimte voor vluchtelingen die in ons land zoeken naar een veilig bestaan? Er ontstaan ook nieuwe ruimten. Zo is de komst van de digitale ruimte iets van de laatste decennia. In die ruimte kun je eindeloos toeven, in spel of in strijd, in ontdekkingstochten en in reizen, in bouwwerken en in andere digitaal ontworpen omgevingen of zelfs op bedachte planeten. Voor een beperkte groep is de digitale leefwereld een dagelijkse realiteit, maar voor ons allemaal komt ze met vlagen ons leven binnen. Zo kunnen we bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd heel betrokken meebeleven terwijl die op hetzelfde moment aan de andere kant van de wereld wordt gespeeld. Of we kunnen ons inleven in de natuur via een groot televisie scherm dat op welhaast ware grootte die natuur bijna tastbaar nabij brengt. Wat is de ruimte eigenlijk voor zenmeesters? Hoe beleven zij de ruimte? Hoe zien zij de ruimte - dicht om hen heen als de omgeving waarin zij leven, en hoe zien zij de ruimte - als het onmetelijke universum? Daarover wil ik graag proberen iets te zeggen in deze zenbrief. Ik schrijf maar in de ik-vorm die door de lezer hopelijk gemakkelijk kan worden meebeleefd. Ik meen dat de zen-ervaring van ruimte ons als moderne mensen iets te bieden heeft. Graag maak ik gebruik van de in meditatie bekende term ‘ontwaken’. Ontwaken: dat doen we elke morgen als we wakker worden. Het bewustzijn dat gedurende de nacht werkte verandert dan in een ogenblik in het ontwaakte bewustzijn: we zijn ons er plots van bewust dat het licht ons zomaar in de ogen valt, dat we zomaar weer kunnen zien. Niemand weet wat licht is… en wat een vergissing is het ons zien niet als een wonder te ervaren. We kunnen ons zomaar bewegen, terwijl niemand weet hoe de éénheid van lichaam en geest die wij zijn, zich vormt in de ruimte van ons bewustzijn: ik tref mijzelf aan in dit lichaam, te midden van mijn directe omgeving waarin ik mij beweeg maar die ikzelf niet maak… Alles is er zomaar. Het zelfbewustzijn vult zich zomaar met alles wat ik zie, hoor, ruik, voel en smaak, met wat mij aan gedachten te binnen valt. Niets staat stil: de wind waait, mijn lichaam zit vol actie, mijn geest kan ik niet stil zetten. Alles ís beweging en verandering. De beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) raakte als kind onder de indruk van de onmetelijke ruimte die hij betrad als hij zijn ogen sloot en zich in zijn lichaam terugtrok. Aanvankelijk ervoer hij angst in de duisternis, maar spoedig werd die duisternis, dat niet- bepaalde, die grote lege ruimte, zijn beste vriend en reisgezel door het leven. Zijn beelden vertrekken steeds vanuit de ervaring van zijn eigen lichaam, dat de ruimte betreedt, ‘occupying space’. De mens bezet en betreedt een onmetelijke ruimte, treft zich daarin zomaar aan. Zijn beelden vind je boven op daken, aan stranden, in vertrekhallen van stations. Steeds uitbeeldend de mens die zichzelf aantreft in een onbegrensde ruimte. Prachtig wordt datgene wat er dan gebeurt uitgewerkt door zenmeester Mazu (709-788). Die loopt met Baizang in een veld met hoog opgeschoten gras. (Gras is in koan-taal een metafoor voor het dagelijkse leven). Dan vliegt uit dat hoge gras plots een wilde eend op. Mazu vraagt Baizang: “Waar vliegt die eend heen?” Baizang wijst dan in de verte naar waar die eend heenvliegt. Dan draait Mazu onverwacht de neus van Baizang om. Die schreeuwt het uit van de pijn. Mazu brengt met dit pijn-doen Baizang terug in de ervaring dat alles één is. Er is géén daarginds… Alles verschijnt in de éne ruimte die ik gewaarword als ik het bewustzijn ontvang. Buiten mijn bewustzijn ken ik niets, zie ik niets, is er niets waar ik over zou kunnen spreken of waar ik naar zou kunnen wijzen. Alles wat ik ook maar zie, hoor, ruik, voel en smaak, ook elke gedachte, komt als het ware de bewustzijnsruimte die ik ben te binnen. Niemand weet waarvandaan, en daarom benoemt zen die afkomst niet. Zowel ikzelf, als het bewustzijn, als de onmetelijke bewustzijnsruimte die ik ben… ontstaan uit het NIETS, bij toeval, niet door mij gemáákt, niet door mij bedacht. Er is géén twee: het is de éne ruimte van mijn (bewust)zijn in dit unieke ogenblik waarin ik toef en waarin al mijn kennen zich voordoet. Er is slechts het ENE dat zich toont in dit hier-en-nu waarin mijn persoon zich realiseert. Ruimte is voor zenmeesters een aspect van non-duaal ervaren. Ik kan niet weg uit dit ogenblik, ik kan niet weg uit de ervaring die ik van ogenblik tot ogenblik zomaar bèn, buiten dit éne ogenblik besta ik niet, en buiten de ruimte die zich voordoet als de plaats waar ik hier-en-nu vertoef kan ik niet gaan. In die ruimte verandert alles van ogenblik tot ogenblik: de zon komt op of gaat onder, mensen en dieren bewegen en veranderen altijd door, het lichaam en de geest die ik bèn veranderen zonder ophouden. Ik kan niets stil zetten, ik kan de verandering die ik ervaar niet beheersen. Beangstigend kan dit zijn voor wie dit voor het eerst tot zichzelf moet toelaten: dat hij of zij niets in de greep heeft. Maar voor wie dit verwerkt kan die angst omslaan in verwondering en dank, zoals voor de kunstenaar Antony Gormley en voor de zenmeesters van weleer. Zo ook voor zenmeester Tu Fu (712-770). In zijn gedichtje ‘Dawn Landscape’ schrijft hij zijn ervaring van ruimte uit. Als hij in het gebergte loopt (in zen zijn de bergen vaak de metafoor voor het universum), ziet hij de bergen verschijnen in de ruimte die zich voordoet en waarin hij zichzelf aantreft. Hij meent dat hij in dat ochtenduur geheel alleen is. Dan volgt de zinsnede: ‘I listen, and face deer at my bramble gate: so close here, we touch our own kind in each other.’ In het hert dat zomaar verschijnt in de open ruimte erkent Tu Fu de éne natuur van al wat is - de verschijningsnatuur wordt in zen kringen wel gezegd. Alles verschijnt zomaar in het éne ogenblik uit het niet-bepaalde als het zich- bepalende tot precies dit unieke verschijnen. Hier bij Tu Fu hijzelf bij zijn hut, de braamstruik op de bergtop en het hert dat hem plots in de ogen ziet. Al het zomaar verschijnende in de onbegrensde ruimte tekent zich als van één en dezelfde natuur zijnde. Van dezelfde oorsprong. Uit het ongekende NIETS zich realiserende. Vluchtig en veranderlijk. De ervaring van ruimte is hier niet gekenmerkt door angst of schrik, eerder door vertrouwdheid, door verwondering, door een zekere intimiteit die ervaren wordt met wat zomaar verschijnende is. Dezelfde sfeer als die in de koans van Joshu, die steeds met fluisterstem en enkele woorden deze intimiteit aanreikt aan de lerende monniken die hem vragen naar de ware natuur van het (mens)zijn. ‘Heeft een hondje dezelfde (wezens)natuur als ik?’, vraagt de monnik. Joshu antwoordt met een ademtocht, met het NIETS waarin en waaruit al wat is zich zomaar realiseert: de ruimte waarin Joshu en de monnik verkeren, het rond scharrelende hondje, de persoon van de lerende monnik en Joshu zelf. Dat alles is het éne verschijnen in het éne ogenblik, in dezelfde onbepaalde (lege) éne ruimte waarin zij elkaar precies zó aantreffen en aanspreken, in een ogenschijnlijke veelheid. In zen toef ik in de onbegrensde ruimte, in het ópen hier-en-nu dat tot dít-hier en tot dít- nu zich bepaalt. Datgene wat verschijnt realiseert zich uit het niet-bepaalde, uit het NIETS. Die ruimte is niet mijn bezit: ik máák niet en behéérs niet het verschijnen van wat er precies zó zomaar is… Maar tegelijkertijd is de zen-ervaring van er-zomaar-te-zijn in de onbegrensde lege ruimte een intieme ervaring, een unieke ervaring, die mij en al wat mij omgeeft omvat. Dat stemt mild en geduldig: alles wat er is – is ontvangen om niet, zomaar. Er valt niets te grijpen, niets door mij vast te zetten als exclusief ‘het mijne’. Niets is stabiel in dit verschijnen van wat ik ben. Het ‘ik’ of het ego blijft als een vloeiing die zich realiseert uit het NIETS, in hetzelfde ogenblik dat al mijn zien, horen, voelen, ruiken, smaken en denken zich realiseren… In het hedendaagse en alledaagse spreken over ruimte klinkt vaak bedreiging door, strijd om ruimte, gebrek aan ruimte, afscheiding van (mijn) ruimte. In de zen-ervaring toef ik in de (bewustzijns)ruimte die ik zelf zomaar ben en die voortdurend vol is van verandering, van nieuw verschijnen van wat zich voordoet in de ervaring die ik ben. Met wat verschijnt toef ik in de éne ruimte, in het éne gebeuren dat alomvattend is, in het éne gebeuren dat mij-en-al-het-andere omvat. Alles heeft de éne natuur van verschijnen, van niet-door-mij-gemaakt te zijn, van vluchtigheid en veranderlijkheid zonder begin en zonder einde. Alles getuigt van de éne natuur, van het ENE dat zich precies zó toont als de ervaring die ik bèn. De zen-traditie is in de moderne samenleving een splinterbeweging die in de haast en in de prestatiedwang van het leven nauwelijks aandacht krijgt. We kunnen als modern levende mensheid nauwelijks nog in het passivum gaan: het dringt niet meer door dat alles gave is, dat wij onszelf en de wereld niet máken kunnen... Ook al blijkt dat uit alles, dan nog dringt dit besef niet door in de vernietigende dadendrang die de mens, de aarde en liefst het hele universum wil beheersen en naar de hand van het (ook collectieve) ego zetten wil. Met een grote mate van vervreemding van wat een mens van vlees en bloed is, van wat natuur is, van wat léven is, zomaar om niet ontvangen… Wellicht dat het toch belangrijk blijft vanuit de zen-ervaring te leven en te handelen, te durven toeven, te durven wachten… op wat de mens en de natuur, op wat het mysterie van het bestaan ons te zeggen heeft. Vele kunstenaars als Gormley en zenmeesters als Tu Fu en Mazu gingen ons daarin voor. Prachtig wat zij ons voor ogen stellen. Leerzaam voor nu. Kees van den Muijsenberg.
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 20 - november 2021
Ruimte Vaak horen we dat er weinig ruimte is. Is er wel genoeg ruimte voor de binnenkort acht miljard mensen op aarde? Is er nog genoeg ruimte voor de natuur, in het bijzonder voor de grotere dieren en voor soorten die een uitgestrekt leefgebied behoeven? Als we nog ergens grondstoffen willen delven, dan raakt dat bijna altijd een biotoop van een complex stelsel van dieren en planten, een biotoop die er eeuwenlang was en die wij als mensheid eenvoudig in beslag nemen. Is er nog genoeg ruimte voor nieuwe woningen en voor bedrijven die zich willen vestigen in ons land? Is er nog ruimte voor vluchtelingen die in ons land zoeken naar een veilig bestaan? Er ontstaan ook nieuwe ruimten. Zo is de komst van de digitale ruimte iets van de laatste decennia. In die ruimte kun je eindeloos toeven, in spel of in strijd, in ontdekkingstochten en in reizen, in bouwwerken en in andere digitaal ontworpen omgevingen of zelfs op bedachte planeten. Voor een beperkte groep is de digitale leefwereld een dagelijkse realiteit, maar voor ons allemaal komt ze met vlagen ons leven binnen. Zo kunnen we bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd heel betrokken meebeleven terwijl die op hetzelfde moment aan de andere kant van de wereld wordt gespeeld. Of we kunnen ons inleven in de natuur via een groot televisie scherm dat op welhaast ware grootte die natuur bijna tastbaar nabij brengt. Wat is de ruimte eigenlijk voor zenmeesters? Hoe beleven zij de ruimte? Hoe zien zij de ruimte - dicht om hen heen als de omgeving waarin zij leven, en hoe zien zij de ruimte - als het onmetelijke universum? Daarover wil ik graag proberen iets te zeggen in deze zenbrief. Ik schrijf maar in de ik-vorm die door de lezer hopelijk gemakkelijk kan worden meebeleefd. Ik meen dat de zen-ervaring van ruimte ons als moderne mensen iets te bieden heeft. Graag maak ik gebruik van de in meditatie bekende term ‘ontwaken’. Ontwaken: dat doen we elke morgen als we wakker worden. Het bewustzijn dat gedurende de nacht werkte verandert dan in een ogenblik in het ontwaakte bewustzijn: we zijn ons er plots van bewust dat het licht ons zomaar in de ogen valt, dat we zomaar weer kunnen zien. Niemand weet wat licht is… en wat een vergissing is het ons zien niet als een wonder te ervaren. We kunnen ons zomaar bewegen, terwijl niemand weet hoe de éénheid van lichaam en geest die wij zijn, zich vormt in de ruimte van ons bewustzijn: ik tref mijzelf aan in dit lichaam, te midden van mijn directe omgeving waarin ik mij beweeg maar die ikzelf niet maak… Alles is er zomaar. Het zelfbewustzijn vult zich zomaar met alles wat ik zie, hoor, ruik, voel en smaak, met wat mij aan gedachten te binnen valt. Niets staat stil: de wind waait, mijn lichaam zit vol actie, mijn geest kan ik niet stil zetten. Alles ís beweging en verandering. De beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) raakte als kind onder de indruk van de onmetelijke ruimte die hij betrad als hij zijn ogen sloot en zich in zijn lichaam terugtrok. Aanvankelijk ervoer hij angst in de duisternis, maar spoedig werd die duisternis, dat niet-bepaalde, die grote lege ruimte, zijn beste vriend en reisgezel door het leven. Zijn beelden vertrekken steeds vanuit de ervaring van zijn eigen lichaam, dat de ruimte betreedt, ‘occupying space’. De mens bezet en betreedt een onmetelijke ruimte, treft zich daarin zomaar aan. Zijn beelden vind je boven op daken, aan stranden, in vertrekhallen van stations. Steeds uitbeeldend de mens die zichzelf aantreft in een onbegrensde ruimte. Prachtig wordt datgene wat er dan gebeurt uitgewerkt door zenmeester Mazu (709- 788). Die loopt met Baizang in een veld met hoog opgeschoten gras. (Gras is in koan- taal een metafoor voor het dagelijkse leven). Dan vliegt uit dat hoge gras plots een wilde eend op. Mazu vraagt Baizang: “Waar vliegt die eend heen?” Baizang wijst dan in de verte naar waar die eend heenvliegt. Dan draait Mazu onverwacht de neus van Baizang om. Die schreeuwt het uit van de pijn. Mazu brengt met dit pijn- doen Baizang terug in de ervaring dat alles één is. Er is géén daarginds… Alles verschijnt in de éne ruimte die ik gewaarword als ik het bewustzijn ontvang. Buiten mijn bewustzijn ken ik niets, zie ik niets, is er niets waar ik over zou kunnen spreken of waar ik naar zou kunnen wijzen. Alles wat ik ook maar zie, hoor, ruik, voel en smaak, ook elke gedachte, komt als het ware de bewustzijnsruimte die ik ben te binnen. Niemand weet waarvandaan, en daarom benoemt zen die afkomst niet. Zowel ikzelf, als het bewustzijn, als de onmetelijke bewustzijnsruimte die ik ben… ontstaan uit het NIETS, bij toeval, niet door mij gemáákt, niet door mij bedacht. Er is géén twee: het is de éne ruimte van mijn (bewust)zijn in dit unieke ogenblik waarin ik toef en waarin al mijn kennen zich voordoet. Er is slechts het ENE dat zich toont in dit hier-en-nu waarin mijn persoon zich realiseert. Ruimte is voor zenmeesters een aspect van non-duaal ervaren. Ik kan niet weg uit dit ogenblik, ik kan niet weg uit de ervaring die ik van ogenblik tot ogenblik zomaar bèn, buiten dit éne ogenblik besta ik niet, en buiten de ruimte die zich voordoet als de plaats waar ik hier-en-nu vertoef kan ik niet gaan. In die ruimte verandert alles van ogenblik tot ogenblik: de zon komt op of gaat onder, mensen en dieren bewegen en veranderen altijd door, het lichaam en de geest die ik bèn veranderen zonder ophouden. Ik kan niets stil zetten, ik kan de verandering die ik ervaar niet beheersen. Beangstigend kan dit zijn voor wie dit voor het eerst tot zichzelf moet toelaten: dat hij of zij niets in de greep heeft. Maar voor wie dit verwerkt kan die angst omslaan in verwondering en dank, zoals voor de kunstenaar Antony Gormley en voor de zenmeesters van weleer. Zo ook voor zenmeester Tu Fu (712-770). In zijn gedichtje ‘Dawn Landscape’ schrijft hij zijn ervaring van ruimte uit. Als hij in het gebergte loopt (in zen zijn de bergen vaak de metafoor voor het universum), ziet hij de bergen verschijnen in de ruimte die zich voordoet en waarin hij zichzelf aantreft. Hij meent dat hij in dat ochtenduur geheel alleen is. Dan volgt de zinsnede: ‘I listen, and face deer at my bramble gate: so close here, we touch our own kind in each other.’ In het hert dat zomaar verschijnt in de open ruimte erkent Tu Fu de éne natuur van al wat is - de verschijningsnatuur wordt in zen kringen wel gezegd. Alles verschijnt zomaar in het éne ogenblik uit het niet-bepaalde als het zich-bepalende tot precies dit unieke verschijnen. Hier bij Tu Fu hijzelf bij zijn hut, de braamstruik op de bergtop en het hert dat hem plots in de ogen ziet. Al het zomaar verschijnende in de onbegrensde ruimte tekent zich als van één en dezelfde natuur zijnde. Van dezelfde oorsprong. Uit het ongekende NIETS zich realiserende. Vluchtig en veranderlijk. De ervaring van ruimte is hier niet gekenmerkt door angst of schrik, eerder door vertrouwdheid, door verwondering, door een zekere intimiteit die ervaren wordt met wat zomaar verschijnende is. Dezelfde sfeer als die in de koans van Joshu, die steeds met fluisterstem en enkele woorden deze intimiteit aanreikt aan de lerende monniken die hem vragen naar de ware natuur van het (mens)zijn. ‘Heeft een hondje dezelfde (wezens)natuur als ik?’, vraagt de monnik. Joshu antwoordt met een ademtocht, met het NIETS waarin en waaruit al wat is zich zomaar realiseert: de ruimte waarin Joshu en de monnik verkeren, het rond scharrelende hondje, de persoon van de lerende monnik en Joshu zelf. Dat alles is het éne verschijnen in het éne ogenblik, in dezelfde onbepaalde (lege) éne ruimte waarin zij elkaar precies zó aantreffen en aanspreken, in een ogenschijnlijke veelheid. In zen toef ik in de onbegrensde ruimte, in het ópen hier-en-nu dat tot dít-hier en tot dít-nu zich bepaalt. Datgene wat verschijnt realiseert zich uit het niet-bepaalde, uit het NIETS. Die ruimte is niet mijn bezit: ik máák niet en behéérs niet het verschijnen van wat er precies zó zomaar is… Maar tegelijkertijd is de zen-ervaring van er- zomaar-te-zijn in de onbegrensde lege ruimte een intieme ervaring, een unieke ervaring, die mij en al wat mij omgeeft omvat. Dat stemt mild en geduldig: alles wat er is – is ontvangen om niet, zomaar. Er valt niets te grijpen, niets door mij vast te zetten als exclusief ‘het mijne’. Niets is stabiel in dit verschijnen van wat ik ben. Het ‘ik’ of het ego blijft als een vloeiing die zich realiseert uit het NIETS, in hetzelfde ogenblik dat al mijn zien, horen, voelen, ruiken, smaken en denken zich realiseren… In het hedendaagse en alledaagse spreken over ruimte klinkt vaak bedreiging door, strijd om ruimte, gebrek aan ruimte, afscheiding van (mijn) ruimte. In de zen- ervaring toef ik in de (bewustzijns)ruimte die ik zelf zomaar ben en die voortdurend vol is van verandering, van nieuw verschijnen van wat zich voordoet in de ervaring die ik ben. Met wat verschijnt toef ik in de éne ruimte, in het éne gebeuren dat alomvattend is, in het éne gebeuren dat mij-en-al-het-andere omvat. Alles heeft de éne natuur van verschijnen, van niet- door-mij-gemaakt te zijn, van vluchtigheid en veranderlijkheid zonder begin en zonder einde. Alles getuigt van de éne natuur, van het ENE dat zich precies zó toont als de ervaring die ik bèn. De zen-traditie is in de moderne samenleving een splinterbeweging die in de haast en in de prestatiedwang van het leven nauwelijks aandacht krijgt. We kunnen als modern levende mensheid nauwelijks nog in het passivum gaan: het dringt niet meer door dat alles gave is, dat wij onszelf en de wereld niet máken kunnen... Ook al blijkt dat uit alles, dan nog dringt dit besef niet door in de vernietigende dadendrang die de mens, de aarde en liefst het hele universum wil beheersen en naar de hand van het (ook collectieve) ego zetten wil. Met een grote mate van vervreemding van wat een mens van vlees en bloed is, van wat natuur is, van wat léven is, zomaar om niet ontvangen… Wellicht dat het toch belangrijk blijft vanuit de zen-ervaring te leven en te handelen, te durven toeven, te durven wachten… op wat de mens en de natuur, op wat het mysterie van het bestaan ons te zeggen heeft. Vele kunstenaars als Gormley en zenmeesters als Tu Fu en Mazu gingen ons daarin voor. Prachtig wat zij ons voor ogen stellen. Leerzaam voor nu. Kees van den Muijsenberg.