ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 19- september 2021
Opgesloten in zichzelf Welke haiku ik ook lees, altijd is er de ervaring dat er niet staat wat er staat. Er staat zoveel meer als wat er staat. De haiku als Oosterse dichtvorm heeft als eigenschap langs het geschrevene heen mij in contact te brengen met iets wat niet te beschrijven maar wel te ervaren is, met iets veel groters, met iets wat ik slechts intuïtief benaderen kan, met iets wat ik niet zie maar dat zich wel voordoet in mijn bewustzijn. Diezelfde eigenschap vind ik in Oosterse poëzie, in het bijzonder in daoïstische of zen gedichten: er staat veel meer dan er staat. Met woorden wordt een werkelijkheid aangeduid die zoveel breder is als wat de dichter met woorden uitschrijven kan. En nog zo’n ervaring doe ik op als ik naar een daoïstisch schilderij kijk: uiterst sober, haast iel, zijn de lijntjes daar neergezet in de lege ruimte van het witte papier. Zoals dat ook gebeurt in de kalligrafie van het Oosten: tekenen verschijnen in de lege ruimte die zoveel meer en zoveel wijder is als tekenen kunnen uitdrukken. Bijzonder is daarbij dat in de oude Chinese taal het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ ontbreekt: de schrijver of tekenaar brengt op papier wat hij of zij onmiddellijk ervaart, wat in zijn of haar bewustzijn zonder bemiddeling verschijnt. Woorden en beelden komen in hem of haar op en stromen uit op het lege witte vlak. In de oude Chinese poëzie en in de oude teken- en schilderkunst van het Oosten verschijnt alles uit een ongekende ruimte die ik niet ken. Ook degene die ziet, schrijft of tekent, is onderdeel van het éne verschijnen in dat ogenblik van zien of horen. Nooit is de schrijver of tekenaar opgesloten in zichzelf, alsof hij of zij zichzelf zou voortbrengen en alsof hij of zij al hetgeen er gezien en gehoord wordt zelf zou kunnen voortbrengen. Het zien en het horen zijn één gebeuren in het moment van verschijnen van al wat er maar is, van al wat er maar weer te geven is. Zo vinden we in de kalligrafische tekens de schrijver zelf niet anders terug als in wat er in het éne ogenblik door hem geschreven werd… en in de witte lege ruimte daaromheen. En zo zien we in een bergtafereel de tekenaar slechts als een met enkele iele lijntjes weergegeven kleine menselijke figuur… te midden van de onnoembaar grote bergen, te midden van het oneindige universum zoals dat zich toont in dat éne ogenblik van tekenen. Nooit is een Oosters dichter of tekenaar opgesloten in zichzelf. Meest oorspronkelijk getuigt zijn of haar werk van het mysterie van het bestaan dat hem of haar laat verschijnen uit het niets, uit wat we niet kennen. Het mysterie draagt al wat verschijnt. Dat mysterie is de tekenaar zelf en tegelijkertijd overstijgt dat mysterie verre wat hij of zij in de beperktheid van de persoon is. Typisch menselijk is het daarbij te kunnen staan in verwondering. Verwondering die wijst op de meest oorspronkelijke verbondenheid met wat er ook maar te zien of te horen is. Verwondering die wijst op het één zijn met alles wat zich zomaar aandient in het bewustzijn dat men ís, zonder te weten wat bewustzijn precies is… De ervaring van elke dichter of tekenaar is dat de mens één is met zoveel méér als wat er te schrijven of te tekenen valt, als wat er uit te beelden of te weten valt. In zen is de ervaring één-te-zijn-met-al-wat-verschijnt in alle omstandigheden van het leven dragend voor het verstaan van zichzelf, voor het verstaan van wat een mens eigenlijk is. Wonderlijk is het dàt en hóe ‘the wild cosmos’ tot ‘self-consciousness’ komt in ‘the human being’ (David Hinton), in elke mens op volstrekt unieke wijze, prachtig, onbegrijpelijk, onbeheersbaar, zomaar bij toeval vanuit een oorsprong die wij niet kennen. We maken onszelf niet. We maken de wereld om ons heen niet. We kunnen onszelf niet voorzien. We treffen onszelf en de wereld aan… precies zoals ze verschijnende zijn… in dit ogenblik… voordat we er ook maar iets van kunnen vinden. De niet-kenbare en niet- beheersbare kosmos draagt menselijk bewustzijn in zich, brengt het bewustzijn dat wij zijn voort uit een vrijheid die de beperkte mogelijkheden van het persoon-zijn verre overtreft. De kosmos, het universum, is zoveel groter en breder dan een mens bevroeden kan. Tegelijkertijd ís de mens dat éne universum dat zich precies zó vormt en toont, in het hier-en-nu van ervaren. Beter gezegd wellicht: in de beperktheid van het ópen hier-en-nu van de ervaring die ‘ik’ ben, van de ervaring die wij het ‘ik’ noemen. Er is géén vaststaand ‘ik’, er is géén op-zichzelf-staand ‘ego’, er is géén afgescheiden ‘ego’. Het ‘ik’ dat ik ben doet zich voor… en kan zich nooit afscheiden van het universum waardoor het gevormd en gedragen wordt, veranderlijk, vloeiend, vluchtig, wonderlijk. Dit aspect van de zen-ervaring dat ik hierboven probeer aan te duiden dringt zich enorm op bij wat de moderne mens te verwerken krijgt nu hij of zij geconfronteerd wordt met de verandering van het klimaat en met niet te beheersen ontwikkelingen in de wereld, in de politiek ook die altijd tekort lijkt te schieten. Openlijk maken we nu mee dat op de televisie wordt besproken dat de mensheid wellicht een eindige mensheid is omdat ze bedreigd wordt in haar voortbestaan. Velen maken die dreiging nu al mee, moeten hun (ei)land verlaten omdat het onder loopt, of lijden ernstig onder droogte en honger, onder storm en wateroverlast, moeten verhuizen, vluchten vaak ook… De mens is nu de hogere diersoort op aarde, en de hoogste diersoort is ook de meest kwetsbare: alles is dienstbaar gemaakt aan die ene diersoort mens. De aarde is overbevolkt, overbezet. Oplossingen en vergezichten zonder ernstige schade of verlies hebben we niet meer. Dat uit zich tot in de haarvaten van het moderne bestaan dat nu twijfelt aan het eigen voortbestaan. Was die twijfel maar slechts aanleiding voor zoeken… Echter: die twijfel blijkt helaas van dag tot dag aanleiding tot blinde strijd op leven en dood, tot angst en woede in het groot en in het klein. Tot in onze gezinnen aan toe waar vele pientere jongeren met angst hun eigen toekomst beschouwen. We vinden nauwelijks nog mogelijkheden tot relativering, tot het verkleinen en wegnemen van de dreiging die wordt ervaren. Vaak krijg ik het gevoel dat de moderne mens, zeer eenzijdig opgevoed tot de zichzelf mákende en zichzelf ontwikkelende mens, opgesloten raakt in zichzelf. Opgesloten in zichzelf, en afgescheiden van anderen en het andere. Afgescheiden van het alles rakende gebeuren op die éne aarde die er maar is. Afgescheiden van het éne gebeuren dat er maar is en waarin wij als mens en als mensheid mede-gebeurende zijn. Is het nog mogelijk om tot een éénheidservaring te komen die mij leert dat het zondermeer een wonder is dàt ik er zomaar ben, bij toeval, als een vrij opkomende gave aan de naaste, in welke omstandigheid dan ook? Is het nog mogelijk verbondenheid en verwantschap met al wat is te ervaren, verbondenheid en verwantschap die vóórgegeven zijn, die er zondermeer zijn als uitnodiging tot blijmoedig samen-gaan, tot mededogen? Aan angst en boosheid vooraf, aan angst en boosheid voorbij. Opgesloten zijn in een vernauwd bewustzijn dat geen contact meer maken kan met datgene dat allen en alles omvat en overtreft lijkt mij erg zwaar om in voort te gaan. Horende en ziende wat er aan mensen gebeurt heb ik het gevoel dat onze moderne maatschappij ook niet meer het gereedschap heeft om het zelfbewustzijn uit de geslotenheid te bevrijden, het bewustzijn te verbreden en het te verruimen tot wat zonder begin en zonder einde is. Ik heb het gevoel dat wij als eindige moderne mensen niet meer vertrouwd zijn met oneindige ruimten, met niet-weten als wezenskenmerk van ons mens-zijn, met niet-kunnen als een grondtrek van elk menselijk bestaan. Kan een mens nog volwassen worden als hij of zij deze wezenlijke kenmerken van ons bestaan ontkent? Lukt het ons nog te leven in overgave? Lukt het nog om ons met overgave te geven aan wat zoveel groter is als wat wijzelf zijn, zoveel ruimer, zozeer eindeloos creatief? Is het wel waar dat alles afhangt van ons eindige doen en laten, van ons eindige denken en willen…? In de zen traditie vind ik een menselijke grondhouding die in alle omstandigheden het één-zijn met de ander en het één-zijn met het andere als het diepste thuis ervaart. De éénheidservaring als thuis, als plaats van uiteindelijke overgave aan die ander en dat andere. De éénheidservaring als geluksmoment van mogen (los)laten, van nooit afgescheiden zijn, nooit op mijzelf zijn, maar altijd verbonden, altijd één. De koan scholing reikt de zen-weg aan als een lange ontdekkingsreis naar datgene wat ik ten diepste ben, naar wat ik van oorsprong al was, maar uit het oog verloren ben. Zelf-kennis die bevrijdt van de onmogelijke opdracht alles in de hand te hebben. Inzicht dat verleidt tot overgave aan het éne gebeuren dat alles en allen omvat, en dat ik mede zelf bén… Een dieper thuis is niet te vinden. Wie in die ervaring gaat, lééft. Wie zich niet toelaten wil tot die ervaring, is dood, zegt de traditie. Opgesloten zijn in zichzelf. Als mijn indruk juist is dat vele moderne mensen daaronder in toenemende mate lijden, dan hoop ik dat de oude weg van het wegnemen van het lijden (Boeddha zei daar iets over…) weer gevonden wordt, over de grenzen van religies heen. Over de grenzen van culturen heen. Dat we elkaar als moderne mensen kunnen begroeten met verwondering en met dankbaarheid dàt we er zomaar zijn, aan elkaar toevertrouwd precies in dit gegeven moment en in precies deze zich voordoende situatie, welke dat ook is… Dat mededogen zich mag ontwikkelen als een ontsluiting naar volwassenheid, als het mooiste antwoord dat er te geven is aan elkaar en aan al wat er is in dit leven zonder houvast. Dit leven, ‘het subliem gewone’ (Batchelor) dat er zomaar is uit wat niemand kent of verklaren kan. Maar waarin we met verwondering onszelf en elkaar aantreffen, gaande de weg. Dat we elkaars woorden ook weer kunnen verstaan met de leegte eromheen zoals die creatieve leegte er in de haiku is. Dat we elkaar weer kunnen zien als het zich realiserende leven, ruim en wijds. Dat we de wereld kunnen zien als een tekening die zich uit een ongekende creatieve vrijheid realiseert. Dat boosheid en woede mogen verstillen, mogen verkeren in woorden die ons het één-zijn laten hervinden als mooiste ruimte om te betreden… dag na dag. Bij alles wat we doen. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 19 - september 2021
Opgesloten in zichzelf Welke haiku ik ook lees, altijd is er de ervaring dat er niet staat wat er staat. Er staat zoveel meer als wat er staat. De haiku als Oosterse dichtvorm heeft als eigenschap langs het geschrevene heen mij in contact te brengen met iets wat niet te beschrijven maar wel te ervaren is, met iets veel groters, met iets wat ik slechts intuïtief benaderen kan, met iets wat ik niet zie maar dat zich wel voordoet in mijn bewustzijn. Diezelfde eigenschap vind ik in Oosterse poëzie, in het bijzonder in daoïstische of zen gedichten: er staat veel meer dan er staat. Met woorden wordt een werkelijkheid aangeduid die zoveel breder is als wat de dichter met woorden uitschrijven kan. En nog zo’n ervaring doe ik op als ik naar een daoïstisch schilderij kijk: uiterst sober, haast iel, zijn de lijntjes daar neergezet in de lege ruimte van het witte papier. Zoals dat ook gebeurt in de kalligrafie van het Oosten: tekenen verschijnen in de lege ruimte die zoveel meer en zoveel wijder is als tekenen kunnen uitdrukken. Bijzonder is daarbij dat in de oude Chinese taal het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ ontbreekt: de schrijver of tekenaar brengt op papier wat hij of zij onmiddellijk ervaart, wat in zijn of haar bewustzijn zonder bemiddeling verschijnt. Woorden en beelden komen in hem of haar op en stromen uit op het lege witte vlak. In de oude Chinese poëzie en in de oude teken- en schilderkunst van het Oosten verschijnt alles uit een ongekende ruimte die ik niet ken. Ook degene die ziet, schrijft of tekent, is onderdeel van het éne verschijnen in dat ogenblik van zien of horen. Nooit is de schrijver of tekenaar opgesloten in zichzelf, alsof hij of zij zichzelf zou voortbrengen en alsof hij of zij al hetgeen er gezien en gehoord wordt zelf zou kunnen voortbrengen. Het zien en het horen zijn één gebeuren in het moment van verschijnen van al wat er maar is, van al wat er maar weer te geven is. Zo vinden we in de kalligrafische tekens de schrijver zelf niet anders terug als in wat er in het éne ogenblik door hem geschreven werd… en in de witte lege ruimte daaromheen. En zo zien we in een bergtafereel de tekenaar slechts als een met enkele iele lijntjes weergegeven kleine menselijke figuur… te midden van de onnoembaar grote bergen, te midden van het oneindige universum zoals dat zich toont in dat éne ogenblik van tekenen. Nooit is een Oosters dichter of tekenaar opgesloten in zichzelf. Meest oorspronkelijk getuigt zijn of haar werk van het mysterie van het bestaan dat hem of haar laat verschijnen uit het niets, uit wat we niet kennen. Het mysterie draagt al wat verschijnt. Dat mysterie is de tekenaar zelf en tegelijkertijd overstijgt dat mysterie verre wat hij of zij in de beperktheid van de persoon is. Typisch menselijk is het daarbij te kunnen staan in verwondering. Verwondering die wijst op de meest oorspronkelijke verbondenheid met wat er ook maar te zien of te horen is. Verwondering die wijst op het één zijn met alles wat zich zomaar aandient in het bewustzijn dat men ís, zonder te weten wat bewustzijn precies is… De ervaring van elke dichter of tekenaar is dat de mens één is met zoveel méér als wat er te schrijven of te tekenen valt, als wat er uit te beelden of te weten valt. In zen is de ervaring één-te-zijn-met-al-wat- verschijnt in alle omstandigheden van het leven dragend voor het verstaan van zichzelf, voor het verstaan van wat een mens eigenlijk is. Wonderlijk is het dàt en hóe ‘the wild cosmos’ tot ‘self-consciousness komt in ‘the human being’ (David Hinton), in elke mens op volstrekt unieke wijze, prachtig, onbegrijpelijk, onbeheersbaar, zomaar bij toeval vanuit een oorsprong die wij niet kennen. We maken onszelf niet. We maken de wereld om ons heen niet. We kunnen onszelf niet voorzien. We treffen onszelf en de wereld aan… precies zoals ze verschijnende zijn… in dit ogenblik… voordat we er ook maar iets van kunnen vinden. De niet-kenbare en niet- beheersbare kosmos draagt menselijk bewustzijn in zich, brengt het bewustzijn dat wij zijn voort uit een vrijheid die de beperkte mogelijkheden van het persoon- zijn verre overtreft. De kosmos, het universum, is zoveel groter en breder dan een mens bevroeden kan. Tegelijkertijd ís de mens dat éne universum dat zich precies zó vormt en toont, in het hier-en- nu van ervaren. Beter gezegd wellicht: in de beperktheid van het ópen hier-en-nu van de ervaring die ‘ik’ ben, van de ervaring die wij het ‘ik’ noemen. Er is géén vaststaand ‘ik’, er is géén op-zichzelf-staand ‘ego’, er is géén afgescheiden ‘ego’. Het ‘ik’ dat ik ben doet zich voor… en kan zich nooit afscheiden van het universum waardoor het gevormd en gedragen wordt, veranderlijk, vloeiend, vluchtig, wonderlijk. Dit aspect van de zen-ervaring dat ik hierboven probeer aan te duiden dringt zich enorm op bij wat de moderne mens te verwerken krijgt nu hij of zij geconfronteerd wordt met de verandering van het klimaat en met niet te beheersen ontwikkelingen in de wereld, in de politiek ook die altijd tekort lijkt te schieten. Openlijk maken we nu mee dat op de televisie wordt besproken dat de mensheid wellicht een eindige mensheid is omdat ze bedreigd wordt in haar voortbestaan. Velen maken die dreiging nu al mee, moeten hun (ei)land verlaten omdat het onder loopt, of lijden ernstig onder droogte en honger, onder storm en wateroverlast, moeten verhuizen, vluchten vaak ook… De mens is nu de hogere diersoort op aarde, en de hoogste diersoort is ook de meest kwetsbare: alles is dienstbaar gemaakt aan die ene diersoort mens. De aarde is overbevolkt, overbezet. Oplossingen en vergezichten zonder ernstige schade of verlies hebben we niet meer. Dat uit zich tot in de haarvaten van het moderne bestaan dat nu twijfelt aan het eigen voortbestaan. Was die twijfel maar slechts aanleiding voor zoeken… Echter: die twijfel blijkt helaas van dag tot dag aanleiding tot blinde strijd op leven en dood, tot angst en woede in het groot en in het klein. Tot in onze gezinnen aan toe waar vele pientere jongeren met angst hun eigen toekomst beschouwen. We vinden nauwelijks nog mogelijkheden tot relativering, tot het verkleinen en wegnemen van de dreiging die wordt ervaren. Vaak krijg ik het gevoel dat de moderne mens, zeer eenzijdig opgevoed tot de zichzelf mákende en zichzelf ontwikkelende mens, opgesloten raakt in zichzelf. Opgesloten in zichzelf, en afgescheiden van anderen en het andere. Afgescheiden van het alles rakende gebeuren op die éne aarde die er maar is. Afgescheiden van het éne gebeuren dat er maar is en waarin wij als mens en als mensheid mede- gebeurende zijn. Is het nog mogelijk om tot een éénheidservaring te komen die mij leert dat het zondermeer een wonder is dàt ik er zomaar ben, bij toeval, als een vrij opkomende gave aan de naaste, in welke omstandigheid dan ook? Is het nog mogelijk verbondenheid en verwantschap met al wat is te ervaren, verbondenheid en verwantschap die vóórgegeven zijn, die er zondermeer zijn als uitnodiging tot blijmoedig samen-gaan, tot mededogen? Aan angst en boosheid vooraf, aan angst en boosheid voorbij. Opgesloten zijn in een vernauwd bewustzijn dat geen contact meer maken kan met datgene dat allen en alles omvat en overtreft lijkt mij erg zwaar om in voort te gaan. Horende en ziende wat er aan mensen gebeurt heb ik het gevoel dat onze moderne maatschappij ook niet meer het gereedschap heeft om het zelfbewustzijn uit de geslotenheid te bevrijden, het bewustzijn te verbreden en het te verruimen tot wat zonder begin en zonder einde is. Ik heb het gevoel dat wij als eindige moderne mensen niet meer vertrouwd zijn met oneindige ruimten, met niet-weten als wezenskenmerk van ons mens-zijn, met niet-kunnen als een grondtrek van elk menselijk bestaan. Kan een mens nog volwassen worden als hij of zij deze wezenlijke kenmerken van ons bestaan ontkent? Lukt het ons nog te leven in overgave? Lukt het nog om ons met overgave te geven aan wat zoveel groter is als wat wijzelf zijn, zoveel ruimer, zozeer eindeloos creatief? Is het wel waar dat alles afhangt van ons eindige doen en laten, van ons eindige denken en willen…? In de zen traditie vind ik een menselijke grondhouding die in alle omstandigheden het één-zijn met de ander en het één-zijn met het andere als het diepste thuis ervaart. De éénheidservaring als thuis, als plaats van uiteindelijke overgave aan die ander en dat andere. De éénheidservaring als geluksmoment van mogen (los)laten, van nooit afgescheiden zijn, nooit op mijzelf zijn, maar altijd verbonden, altijd één. De koan scholing reikt de zen-weg aan als een lange ontdekkingsreis naar datgene wat ik ten diepste ben, naar wat ik van oorsprong al was, maar uit het oog verloren ben. Zelf-kennis die bevrijdt van de onmogelijke opdracht alles in de hand te hebben. Inzicht dat verleidt tot overgave aan het éne gebeuren dat alles en allen omvat, en dat ik mede zelf bén… Een dieper thuis is niet te vinden. Wie in die ervaring gaat, lééft. Wie zich niet toelaten wil tot die ervaring, is dood, zegt de traditie. Opgesloten zijn in zichzelf. Als mijn indruk juist is dat vele moderne mensen daaronder in toenemende mate lijden, dan hoop ik dat de oude weg van het wegnemen van het lijden (Boeddha zei daar iets over…) weer gevonden wordt, over de grenzen van religies heen. Over de grenzen van culturen heen. Dat we elkaar als moderne mensen kunnen begroeten met verwondering en met dankbaarheid dàt we er zomaar zijn, aan elkaar toevertrouwd precies in dit gegeven moment en in precies deze zich voordoende situatie, welke dat ook is… Dat mededogen zich mag ontwikkelen als een ontsluiting naar volwassenheid, als het mooiste antwoord dat er te geven is aan elkaar en aan al wat er is in dit leven zonder houvast. Dit leven, ‘het subliem gewone’ (Batchelor) dat er zomaar is uit wat niemand kent of verklaren kan. Maar waarin we met verwondering onszelf en elkaar aantreffen, gaande de weg. Dat we elkaars woorden ook weer kunnen verstaan met de leegte eromheen zoals die creatieve leegte er in de haiku is. Dat we elkaar weer kunnen zien als het zich realiserende leven, ruim en wijds. Dat we de wereld kunnen zien als een tekening die zich uit een ongekende creatieve vrijheid realiseert. Dat boosheid en woede mogen verstillen, mogen verkeren in woorden die ons het één-zijn laten hervinden als mooiste ruimte om te betreden… dag na dag. Bij alles wat we doen. Kees van den Muijsenberg.