ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 18- juli 2021
Eenvoud/ enkelvoud Er is in deze jaren, het laatste decennium, veel te doen over het ‘ik’. Je kunt langs allerlei invalshoeken de discussie over het veranderende mensbeeld en de positie van het ego benaderen. In deze brief wil ik graag stilstaan bij wat enerzijds bekende psychiaters als Dirk de Wachter en Paul Verhaeghe er vanuit hun werk over vertellen. Hun werk en hun ervaring maken zij voor eenieder inzichtelijk door die in hun boeken te ontvouwen, zonder al te veel vakjargon, toegankelijk voor de gemiddelde lezer. Van hen beiden gaat een ernstige waarschuwing uit naar het cultuurgewricht waarin wij nu leven. Anderzijds wil ik proberen vanuit de zen-ervaring er iets over te zeggen, over dat ego of over dat ‘ik’ en over het moderne mensbeeld dat blijkbaar problematisch is geworden en dat fundamentele vragen oproept. De eerste indruk die blijft hangen bij het lezen van het werk van De Wachter en Verhaeghe is dat beiden zich ernstig zorgen maken. Veel van hun teksten kun je gemakkelijk verstaan als waarschuwing aan de post-moderne mens en aan de ontstane post-moderne samenleving. Beiden besteden vervolgens veel aandacht aan hun zorgen over jongeren die nu in de maatschappij opgroeien die zich ontwikkelde in de tijd van hun ouders. Die maatschappij is zo ingewikkeld geworden dat niemand nog overziet welke invloeden ons leven bepalen, en hoe dat zich in het leven van de jongste generaties uitwerkt. Ik doe een poging te typeren wat zij zeggen. Zo’n typering kan niet meer zijn als een sjabloon. Een sjabloon gaat altijd kort door de bocht, maar toch… In de huidige maatschappij is het neo-liberale marktdenken als economisch systeem allesoverheersend geworden. Het neo-liberalisme is zelfs het mensbeeld gaan bepalen. De moderne mens wordt vooral als individu aangesproken: alles is mogelijk, als je er maar hard voor werkt. Wat er mogelijk is wordt uitgedrukt door de economische factor geld. Geld verdienen is de deur naar de eindeloze mogelijkheden van status, wonen, reizen, opleiding, uiterlijke verzorging, medische behandeling, consumptie, bezitsvorming etc.. Wie de ratrace kan bijhouden, die máákt het, die máákt zichzelf en zijn omgeving. Wie dat niet mee kan máken, die is een looser. Een looser blijft achter in de ratrace en ziet het aan zich gebeuren dat hij/zij veel mist, dat hij/zij veel niet méé kan máken. Zij die het máken en zij die als looser achterblijven bevinden zich in alle lagen van de bevolking en op alle niveau’s van de neo-liberaal ingerichte samenleving. De grote nadruk op het individu dat het moet máken gaat ten koste van solidariteit als basale kwaliteit van samenleven. Statistieken laten zien dat werken in de zorg of in het onderwijs niet meer populair is omdat je elders meer kunt verdienen. Maar ook de aarde wordt ondergeschikt gemaakt aan wat het individu voor zich opeist aan welstand en welbehagen, aan rondreizen en consumeren. Wij – post-modernen - zijn bij uitstek consumenten geworden: behoeften worden (ongemerkt) gekweekt in ons opdat we door ons bestedingsgedrag de economie in zijn dolle vaart houden. Het lijkt dat we op vakantie mógen… maar we móeten het. Het lijkt dat we worden uitgenodigd om aan een hype mee te doen… maar de dwang is enorm en die dwang is heel subtiel in ons planbare vluchtige gevoel van levensgeluk aangebracht. Dat levensgeluk wordt steeds nieuw geformuleerd opdat de behoefte evolueert en steeds weer een nieuwe aanzet is tot verder consumeren. Alles is mogelijk… maar de gemiddelde mens wordt overvraagd door het moeten bijhouden van het zich steeds vooruitschuivend nieuwe beeld van zichzelf waaraan hij moet (gaan) voldoen. Verhaeghe en De Wachter worden in hun toon scherp als zij er aan toe komen hun zorgen te uiten over de jonge mensen die in deze maatschappij hun levensweg nog zoeken, nog zoeken mens te mogen worden. Daar komt dan in het bijzonder de geweldige invloed van de digitalisering van de maatschappij om de hoek kijken. In de digitale wereld leert iemand een ideaalbeeld van zichzelf te koesteren waaraan hij of zij in werkelijkheid nooit zal kunnen gaan voldoen. Men kan zichzelf creëren en zichzelf alsmaar van de mooiste kant laten zien naar lichaam en geest. Men kan opgaan in games waarin je nooit verliest of waarin je jezelf nooit schuldig maakt. Je kunt tegenstanders en obstakels uitschakelen zonder geconfronteerd te worden met de gevolgen voor de ander die het in het gamen van jou verliest. Maar de gevolgen zijn veelal groot als men dan als jongere uit de digitale wereld en uit het leven van de games van deze tijd, noodzakelijk terugkomt in de wereld zoals die onontkoombaar ís. Die wereld zoals die ís kun je niet zo programmeren dat je altijd wint, dat je altijd mooi bent, altijd gezond, altijd rijk, altijd de sterkste en altijd de slimste. In die gewone wereld zal blijken of je in het mens-worden echt heb leren omgaan met verlies, met tegenslagen, met ziekte, met de kapotte en vervuilde aarde, met problemen die zich nu al aankondigen en die zich in de toekomst gaan voordoen. Met wat er fout gaat in het bestaan van de mensheid in deze globaliserende tijd. In de alledaagse werkelijkheid zal blijken of het echt lukt vanuit een mooi opgepoetst ego het leven te máken. Het ego en zijn strategieën, aangemoedigd op alles voorrang te nemen ten eigen bate en ten behoeve van de eigen vluchtige belevingswereld. Bij de botsing met de werkelijkheid zoals die onontkoombaar ís, ontstaat vaak een geestelijke nood met de sluimerende vraag: wie ben ik nu eigenlijk? Waarom lukt het mij niet mijn leven te máken tot wat ik wil? Vaak ontstaan frustratieneurosen, dissociatieve gedragsproblemen, depressies bij het niet aankunnen van wat buiten de digitale belevingswereld van je wordt gevraagd. Vele jongeren haken af in dit post-moderne neo- liberale tijdperk: zij worden ernstig overvraagd. Bij de angst te mislukken en bij de angst persoonlijk – als individu - niet aan de eisen te kunnen voldoen blijkt het (niet) máákbare zich om te keren in een gevoel van leegte en zinloosheid. De vraag is dan niet slechts “haal ik het wel”, maar meer fundamenteel: “wat ben ik eigenlijk waard?”, en daaronderdoor: “wie/wat ben ik eigenlijk als mens?” De neo-liberale inschatting van wat een mens waard is blijkt een al te smalle basis voor menselijk samenleven. Tot zover dit gebrekkige maar wellicht herkenbare sjabloon van wat beide psychiaters ter overweging aan ons voorhouden. Hun kritische betoog ondersteunen zij moeiteloos met statistieken over het aantal jongeren dat een beroep moet doen op de jeugdzorg, met de statistieken over het medicijngebruik waarmee (ook) jongeren op de been worden gehouden, met de statistieken over het gebruik van middelen waarmee jongeren zichzelf verdoven om voort te kunnen. Met als triest stemmend sluitstuk de statistiek van de zelfdoding onder jongeren, bij pubers en adolescenten in België en in Nederland een doodsoorzaak van belang. De maatschappij is zo ingewikkeld geworden, er komt zoveel op jongeren af, er is zoveel mogelijk, en er moet zoveel… dat de vraag wordt wie de ratrace nog kan volhouden. En de vraag is ook of jongeren de ratrace nog wíllen gaan meemaken. Consumentisme doet een destructief beroep op de mens en op de aarde, het klimaat verandert gevaarlijk, en het verschil tussen arm en rijk neemt toe. Het neo- liberale mensbeeld dat het ego en zijn eigenbelang centraal stelt en op alles voorrang geeft, brengt veel aan het wankelen. Hoe ziet de zen-traditie het ego? Ook hier kunnen we in dit korte bestek niet anders doen als volstaan met het schetsen van een sjabloon, dat wellicht verhelderend is. Verhelderend op het vlak van de uitgangspunten voor het vormen van een mensbeeld, een beeld van ons eigen menselijke leven en dat van onze jongeren. Kort door de bocht dus ook weer, maar toch… In de zen-traditie ontvangt de mens van ogenblik tot ogenblik wat hij/zij is, in éénheid met al wat hem/haar omgeeft. In de zen-traditie is het ego van de mens van groot belang… maar… het stelt zichzelf niet centraal. Dat blijkt uit de getuigenissen van de zen-traditie vanaf het begin – achtste eeuw in China - door de ervaring die zenmeesters hebben uitgeschilderd en in gedichten hebben neergelegd. Zij leefden veelal in de bergen als kluizenaars, één met het landschap, één met de kosmos. Zij ervoeren dat niets daarvan door de mens zèlf te máken valt. Meest-oorspronkelijk en meest basaal treft de mens zichzelf simpelweg aan in het bestaan. Zonder dat men de bergen, de luchten en het weer, zichzelf of de medemens máken of bepalen kan… Het ‘ik’ is naar hun ervaring vluchtig van aard. Het verandert gedurig mee met alles wat er maar te zien is en dat uit-zichzelf voortdurend verandert. Niets staat stil in dat voortgaande veranderen, in dat voortdurende stromen waarin alles met alles samenhangt. Het ‘ik’ vindt in dat natuurlijke stromen geen houvast. Het ‘ik’ kènt van oorsprong in de zen-traditie géén eigenstandigheid. Maar het ‘ik’ - dat de mens als persoon zomaar in verwondering ontvangt - is ingebed in de afhankelijkheid van alles waardoor het hier-en-nu omgeven en gedragen wordt. Die oorspronkelijke afhankelijkheid van de ander en van al het andere wordt door Batchelor zo prachtig genoemd: “het subliem gewone” van het alledaagse leven. DÁT de mens er zomaar precies zó eenvoudigweg ís… dat is het grote wonder van het bestaan. Dat menselijke bestaan dat wij niet begrijpen: het grote niet-weten blijft ons eigen. Het bestaan is een mysterie dat wij niet kunnen analyseren of doorgronden, maar wel in dankbaarheid tegemoet kunnen treden, dankbaar DÁT we er zomaar zijn… Uit het ongekende, dat we het NIETS noemen opdat we er ook niets in gaan projecteren. En opdat we tot acceptatie kunnen komen van het grote menselijke niet-weten en niet-kunnen. Dat het ego in zen vluchtig van aard is maakt het mens-zijn bescheiden: prachtig zijn de oude schilderingen en gedichten van zen-meesters waarin ze uitschilderen en uitschrijven hoe ze zichzelf in grote verwondering aantreffen in het landschap en in de maatschappij, zomaar precies zó. In verwondering en in dank ervaren zij een schoonheid die al hun mogelijkheden zelf het leven te máken verre overtreft. De ervaring van oorsprong af één te zijn met al wat is en met al wat gebeurt maakt bescheiden. In die ervaring is het ego niet langer het centrum van alle bestaan. Die ervaring brengt aarzeling met zich mee in het zeker weten van wat te doen. Vaak is het edelmoediger niet-te-doen, niet-te-gebruiken ten eigen bate, zelf geen voorrang te nemen, maar te laten… Zichzelf en de wereld waarin men zich aantreft te laten gebeuren… wu-wei. Ervarende dat wie de ander en de omgeving gebruikt of misbruikt, gemakkelijk schade aanbrengt, ook aan zichzelf. Mededogen is in de zen-ervaring een vanzelf opkomende grondhouding, ziende wat er aan mensen gebeuren kan in het leven zonder houvast, in het veranderlijke leven waar niemand greep op heeft, vaak het lijden genoemd. Mededogen komt voort uit het inzicht in wat een mens ‘maar’ is in alle bescheidenheid en afhankelijkheid, maar ook uit de ervaring van wat een mens geweldig is! In de zich zomaar voordoende schoonheid. In de verwondering DÁT ‘ik’ er zomaar ben, als zomaar precies déze persoon die volstrekt uniek is en altijd nieuw… Zichzelf van ogenblik tot ogenblik ontvangend uit het ongekende, uit het NIETS waar het ’ik’ nooit greep op kan krijgen, als het ENE dat zich zomaar precies zó toont als alles wat er is. Verwondering, dank en mededogen zijn heel basale trekken in de zen-ervaring. Wat is een mensenleven waarin die basale trekken ontbreken…? Zen maakt de basisstructuur van ons menselijke bestaan helder voor wie zich aan de zen-weg durft toevertrouwen. Waar de post-moderne maatschappij het leven tot een máákbaar leven verklaart en daarmee het startpunt van menselijke verwondering – het zichzelf als menselijke persoon ontvangen - overslaat, daar wijst zen ons op het ENE dat zich toont als alles wat er maar is. Ook als datgene wat mensen zijn – altijd in radicale afhankelijkheid van wat hen omgeeft – afhankelijk van de mensen én afhankelijk van de aarde. Het ego dat zich afscheidt van die meest-oorspronkelijke ervaring brengt schade aan, stelt het andere en de andere (medemens) in gebruik ten eigen bate. Nogal eens loopt die houding uit op misbruik van de aarde en van medemensen. Misschien dat de ratrace toch met vlagen onderbroken kan worden. En wellicht kan de zen-traditie ons een correctie op het neo-liberale mensbeeld aanreiken. Opdat eenvoud, verwondering en dank als basiservaring weer hun intrede kunnen doen in het vluchtige mens-zijn dat ons van-nature tot mededogen oproept, onszelf en onze naasten ziende in kwetsbaarheid en in afhankelijkheid van elkaar. Eenvoud die vindbaar is. Enkelvoud waaruit niemand wegvallen kan. Enkelvoud ervaren en verstaan als het dankbaar in verwondering staan van het éne gebeuren dat ons draagt. Mystiek begaafde mensen als Willigis Jaeger spreken over ‘volledig mens worden’ (‘Ganz Mensch werden’). Zij geven aan dat een mens zijn herkomst moet leren kennen, wil die mens werkelijk vrij leven. Die herkomst kennen wij niet, maar wordt door mystici wel ervaren als één, als enkelvoudig, als het ENE, dat zoveel groter is als welke mens dan ook en als alle mensen tezamen. Vaak wordt dat ‘god’ genoemd en in de religies wordt het verbonden met autoritaire structuren. Daar wordt het vaak gevuld door menselijke projecties. Zen negeert die projecties, laat het mysterie volledig mysterie, in een alomvattend niet- weten, in het NIETS. Maar tegelijkertijd valt het bestaan van de mens op het vlak van het ervaren samen met dat alles dragende mysterie, met dat ENE: ten diepste is er géén twee, is alles non-duaal. Een mens die zijn plaats niet kent in de kosmos, in het leven zondermeer, komt nooit thuis, kent zichzelf niet, vergist zich in vermeende (over)macht en vermeende (zelf)overschatting. In heelheid mens worden heeft te maken met verwondering en dank DÁT ik er zomaar precies zó ben, uit een bron die ik niet ken, maar die ik wel voluit ervaar van ogenblik tot ogenblik. Het besef dat de maakbaarheid van het mens-zijn een dwaalidee is, maakt innerlijk vrij. Het besef dat alles máákbaar is, overvraagt en daagt uit tot boven mensenmaat, vermoeit en put uit, kent geen rust. Mogelijk is de diepte van de zen-ervaring toch een bescheiden, maar waardevolle bijdrage aan een andere kijk op ons mens-zijn als de neo-liberale visie van de máákbaarheid. De Wachter schrijft dat hij helaas mindfullness veelal ziet afglijden naar een manier van mediteren die reeds is ingekapseld door de heersende tijdsgeest: als ik mindfullness doe… dan kan ik de ratrace wellicht weer beter aan… (Dirk De Wachter, Borderline Times, blz. 226). Verhaeghe beveelt meditatie aan als een mogelijkheid van kritisch naar zichzelf en de ander omzien (Paul Verhaeghe, Intimiteit, blz. 264 e.v.). Wellicht is de diepte van zen een waardevolle richtingwijzer voor wie in onze dagen wil leren mediteren. Eenvoud en enkelvoud van zijn, zich één weten met wat er zomaar precies zó is als “het subliem gewone” waarin het mens-zijn zichzelf ontvangt. Moge die ervaring velen rust geven in verwondering en in dank. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 18 - juli 2021
Eenvoud/ enkelvoud Er is in deze jaren, het laatste decennium, veel te doen over het ‘ik’. Je kunt langs allerlei invalshoeken de discussie over het veranderende mensbeeld en de positie van het ego benaderen. In deze brief wil ik graag stilstaan bij wat enerzijds bekende psychiaters als Dirk de Wachter en Paul Verhaeghe er vanuit hun werk over vertellen. Hun werk en hun ervaring maken zij voor eenieder inzichtelijk door die in hun boeken te ontvouwen, zonder al te veel vakjargon, toegankelijk voor de gemiddelde lezer. Van hen beiden gaat een ernstige waarschuwing uit naar het cultuurgewricht waarin wij nu leven. Anderzijds wil ik proberen vanuit de zen- ervaring er iets over te zeggen, over dat ego of over dat ‘ik’ en over het moderne mensbeeld dat blijkbaar problematisch is geworden en dat fundamentele vragen oproept. De eerste indruk die blijft hangen bij het lezen van het werk van De Wachter en Verhaeghe is dat beiden zich ernstig zorgen maken. Veel van hun teksten kun je gemakkelijk verstaan als waarschuwing aan de post-moderne mens en aan de ontstane post-moderne samenleving. Beiden besteden vervolgens veel aandacht aan hun zorgen over jongeren die nu in de maatschappij opgroeien die zich ontwikkelde in de tijd van hun ouders. Die maatschappij is zo ingewikkeld geworden dat niemand nog overziet welke invloeden ons leven bepalen, en hoe dat zich in het leven van de jongste generaties uitwerkt. Ik doe een poging te typeren wat zij zeggen. Zo’n typering kan niet meer zijn als een sjabloon. Een sjabloon gaat altijd kort door de bocht, maar toch… In de huidige maatschappij is het neo- liberale marktdenken als economisch systeem allesoverheersend geworden. Het neo-liberalisme is zelfs het mensbeeld gaan bepalen. De moderne mens wordt vooral als individu aangesproken: alles is mogelijk, als je er maar hard voor werkt. Wat er mogelijk is wordt uitgedrukt door de economische factor geld. Geld verdienen is de deur naar de eindeloze mogelijkheden van status, wonen, reizen, opleiding, uiterlijke verzorging, medische behandeling, consumptie, bezitsvorming etc.. Wie de ratrace kan bijhouden, die máákt het, die máákt zichzelf en zijn omgeving. Wie dat niet mee kan máken, die is een looser. Een looser blijft achter in de ratrace en ziet het aan zich gebeuren dat hij/zij veel mist, dat hij/zij veel niet méé kan máken. Zij die het máken en zij die als looser achterblijven bevinden zich in alle lagen van de bevolking en op alle niveau’s van de neo-liberaal ingerichte samenleving. De grote nadruk op het individu dat het moet máken gaat ten koste van solidariteit als basale kwaliteit van samenleven. Statistieken laten zien dat werken in de zorg of in het onderwijs niet meer populair is omdat je elders meer kunt verdienen. Maar ook de aarde wordt ondergeschikt gemaakt aan wat het individu voor zich opeist aan welstand en welbehagen, aan rondreizen en consumeren. Wij – post- modernen - zijn bij uitstek consumenten geworden: behoeften worden (ongemerkt) gekweekt in ons opdat we door ons bestedingsgedrag de economie in zijn dolle vaart houden. Het lijkt dat we op vakantie mógen… maar we móeten het. Het lijkt dat we worden uitgenodigd om aan een hype mee te doen… maar de dwang is enorm en die dwang is heel subtiel in ons planbare vluchtige gevoel van levensgeluk aangebracht. Dat levensgeluk wordt steeds nieuw geformuleerd opdat de behoefte evolueert en steeds weer een nieuwe aanzet is tot verder consumeren. Alles is mogelijk… maar de gemiddelde mens wordt overvraagd door het moeten bijhouden van het zich steeds vooruitschuivend nieuwe beeld van zichzelf waaraan hij moet (gaan) voldoen. Verhaeghe en De Wachter worden in hun toon scherp als zij er aan toe komen hun zorgen te uiten over de jonge mensen die in deze maatschappij hun levensweg nog zoeken, nog zoeken mens te mogen worden. Daar komt dan in het bijzonder de geweldige invloed van de digitalisering van de maatschappij om de hoek kijken. In de digitale wereld leert iemand een ideaalbeeld van zichzelf te koesteren waaraan hij of zij in werkelijkheid nooit zal kunnen gaan voldoen. Men kan zichzelf creëren en zichzelf alsmaar van de mooiste kant laten zien naar lichaam en geest. Men kan opgaan in games waarin je nooit verliest of waarin je jezelf nooit schuldig maakt. Je kunt tegenstanders en obstakels uitschakelen zonder geconfronteerd te worden met de gevolgen voor de ander die het in het gamen van jou verliest. Maar de gevolgen zijn veelal groot als men dan als jongere uit de digitale wereld en uit het leven van de games van deze tijd, noodzakelijk terugkomt in de wereld zoals die onontkoombaar ís. Die wereld zoals die ís kun je niet zo programmeren dat je altijd wint, dat je altijd mooi bent, altijd gezond, altijd rijk, altijd de sterkste en altijd de slimste. In die gewone wereld zal blijken of je in het mens-worden echt heb leren omgaan met verlies, met tegenslagen, met ziekte, met de kapotte en vervuilde aarde, met problemen die zich nu al aankondigen en die zich in de toekomst gaan voordoen. Met wat er fout gaat in het bestaan van de mensheid in deze globaliserende tijd. In de alledaagse werkelijkheid zal blijken of het echt lukt vanuit een mooi opgepoetst ego het leven te máken. Het ego en zijn strategieën, aangemoedigd op alles voorrang te nemen ten eigen bate en ten behoeve van de eigen vluchtige belevingswereld. Bij de botsing met de werkelijkheid zoals die onontkoombaar ís, ontstaat vaak een geestelijke nood met de sluimerende vraag: wie ben ik nu eigenlijk? Waarom lukt het mij niet mijn leven te máken tot wat ik wil? Vaak ontstaan frustratieneurosen, dissociatieve gedragsproblemen, depressies bij het niet aankunnen van wat buiten de digitale belevingswereld van je wordt gevraagd. Vele jongeren haken af in dit post-moderne neo-liberale tijdperk: zij worden ernstig overvraagd. Bij de angst te mislukken en bij de angst persoonlijk – als individu - niet aan de eisen te kunnen voldoen blijkt het (niet) máákbare zich om te keren in een gevoel van leegte en zinloosheid. De vraag is dan niet slechts “haal ik het wel”, maar meer fundamenteel: “wat ben ik eigenlijk waard?”, en daaronderdoor: “wie/wat ben ik eigenlijk als mens?” De neo-liberale inschatting van wat een mens waard is blijkt een al te smalle basis voor menselijk samenleven. Tot zover dit gebrekkige maar wellicht herkenbare sjabloon van wat beide psychiaters ter overweging aan ons voorhouden. Hun kritische betoog ondersteunen zij moeiteloos met statistieken over het aantal jongeren dat een beroep moet doen op de jeugdzorg, met de statistieken over het medicijngebruik waarmee (ook) jongeren op de been worden gehouden, met de statistieken over het gebruik van middelen waarmee jongeren zichzelf verdoven om voort te kunnen. Met als triest stemmend sluitstuk de statistiek van de zelfdoding onder jongeren, bij pubers en adolescenten in België en in Nederland een doodsoorzaak van belang. De maatschappij is zo ingewikkeld geworden, er komt zoveel op jongeren af, er is zoveel mogelijk, en er moet zoveel… dat de vraag wordt wie de ratrace nog kan volhouden. En de vraag is ook of jongeren de ratrace nog wíllen gaan meemaken. Consumentisme doet een destructief beroep op de mens en op de aarde, het klimaat verandert gevaarlijk, en het verschil tussen arm en rijk neemt toe. Het neo- liberale mensbeeld dat het ego en zijn eigenbelang centraal stelt en op alles voorrang geeft, brengt veel aan het wankelen. Hoe ziet de zen-traditie het ego? Ook hier kunnen we in dit korte bestek niet anders doen als volstaan met het schetsen van een sjabloon, dat wellicht verhelderend is. Verhelderend op het vlak van de uitgangspunten voor het vormen van een mensbeeld, een beeld van ons eigen menselijke leven en dat van onze jongeren. Kort door de bocht dus ook weer, maar toch… In de zen-traditie ontvangt de mens van ogenblik tot ogenblik wat hij/zij is, in éénheid met al wat hem/haar omgeeft. In de zen-traditie is het ego van de mens van groot belang… maar… het stelt zichzelf niet centraal. Dat blijkt uit de getuigenissen van de zen-traditie vanaf het begin – achtste eeuw in China - door de ervaring die zenmeesters hebben uitgeschilderd en in gedichten hebben neergelegd. Zij leefden veelal in de bergen als kluizenaars, één met het landschap, één met de kosmos. Zij ervoeren dat niets daarvan door de mens zèlf te máken valt. Meest-oorspronkelijk en meest basaal treft de mens zichzelf simpelweg aan in het bestaan. Zonder dat men de bergen, de luchten en het weer, zichzelf of de medemens máken of bepalen kan… Het ‘ik’ is naar hun ervaring vluchtig van aard. Het verandert gedurig mee met alles wat er maar te zien is en dat uit-zichzelf voortdurend verandert. Niets staat stil in dat voortgaande veranderen, in dat voortdurende stromen waarin alles met alles samenhangt. Het ‘ik’ vindt in dat natuurlijke stromen geen houvast. Het ‘ik’ kènt van oorsprong in de zen-traditie géén eigenstandigheid. Maar het ‘ik’ - dat de mens als persoon zomaar in verwondering ontvangt - is ingebed in de afhankelijkheid van alles waardoor het hier-en-nu omgeven en gedragen wordt. Die oorspronkelijke afhankelijkheid van de ander en van al het andere wordt door Batchelor zo prachtig genoemd: “het subliem gewone” van het alledaagse leven. DÁT de mens er zomaar precies zó eenvoudigweg ís… dat is het grote wonder van het bestaan. Dat menselijke bestaan dat wij niet begrijpen: het grote niet-weten blijft ons eigen. Het bestaan is een mysterie dat wij niet kunnen analyseren of doorgronden, maar wel in dankbaarheid tegemoet kunnen treden, dankbaar DÁT we er zomaar zijn… Uit het ongekende, dat we het NIETS noemen opdat we er ook niets in gaan projecteren. En opdat we tot acceptatie kunnen komen van het grote menselijke niet-weten en niet-kunnen. Dat het ego in zen vluchtig van aard is maakt het mens-zijn bescheiden: prachtig zijn de oude schilderingen en gedichten van zen-meesters waarin ze uitschilderen en uitschrijven hoe ze zichzelf in grote verwondering aantreffen in het landschap en in de maatschappij, zomaar precies zó. In verwondering en in dank ervaren zij een schoonheid die al hun mogelijkheden zelf het leven te máken verre overtreft. De ervaring van oorsprong af één te zijn met al wat is en met al wat gebeurt maakt bescheiden. In die ervaring is het ego niet langer het centrum van alle bestaan. Die ervaring brengt aarzeling met zich mee in het zeker weten van wat te doen. Vaak is het edelmoediger niet-te-doen, niet-te- gebruiken ten eigen bate, zelf geen voorrang te nemen, maar te laten… Zichzelf en de wereld waarin men zich aantreft te laten gebeuren… wu-wei. Ervarende dat wie de ander en de omgeving gebruikt of misbruikt, gemakkelijk schade aanbrengt, ook aan zichzelf. Mededogen is in de zen-ervaring een vanzelf opkomende grondhouding, ziende wat er aan mensen gebeuren kan in het leven zonder houvast, in het veranderlijke leven waar niemand greep op heeft, vaak het lijden genoemd. Mededogen komt voort uit het inzicht in wat een mens ‘maar is in alle bescheidenheid en afhankelijkheid, maar ook uit de ervaring van wat een mens geweldig is! In de zich zomaar voordoende schoonheid. In de verwondering DÁT ‘ik’ er zomaar ben, als zomaar precies déze persoon die volstrekt uniek is en altijd nieuw… Zichzelf van ogenblik tot ogenblik ontvangend uit het ongekende, uit het NIETS waar het ’ik’ nooit greep op kan krijgen, als het ENE dat zich zomaar precies zó toont als alles wat er is. Verwondering, dank en mededogen zijn heel basale trekken in de zen-ervaring. Wat is een mensenleven waarin die basale trekken ontbreken…? Zen maakt de basisstructuur van ons menselijke bestaan helder voor wie zich aan de zen-weg durft toevertrouwen. Waar de post-moderne maatschappij het leven tot een máákbaar leven verklaart en daarmee het startpunt van menselijke verwondering – het zichzelf als menselijke persoon ontvangen - overslaat, daar wijst zen ons op het ENE dat zich toont als alles wat er maar is. Ook als datgene wat mensen zijn – altijd in radicale afhankelijkheid van wat hen omgeeft – afhankelijk van de mensen én afhankelijk van de aarde. Het ego dat zich afscheidt van die meest-oorspronkelijke ervaring brengt schade aan, stelt het andere en de andere (medemens) in gebruik ten eigen bate. Nogal eens loopt die houding uit op misbruik van de aarde en van medemensen. Misschien dat de ratrace toch met vlagen onderbroken kan worden. En wellicht kan de zen-traditie ons een correctie op het neo-liberale mensbeeld aanreiken. Opdat eenvoud, verwondering en dank als basiservaring weer hun intrede kunnen doen in het vluchtige mens-zijn dat ons van-nature tot mededogen oproept, onszelf en onze naasten ziende in kwetsbaarheid en in afhankelijkheid van elkaar. Eenvoud die vindbaar is. Enkelvoud waaruit niemand wegvallen kan. Enkelvoud ervaren en verstaan als het dankbaar in verwondering staan van het éne gebeuren dat ons draagt. Mystiek begaafde mensen als Willigis Jaeger spreken over ‘volledig mens worden’ (‘Ganz Mensch werden’). Zij geven aan dat een mens zijn herkomst moet leren kennen, wil die mens werkelijk vrij leven. Die herkomst kennen wij niet, maar wordt door mystici wel ervaren als één, als enkelvoudig, als het ENE, dat zoveel groter is als welke mens dan ook en als alle mensen tezamen. Vaak wordt dat ‘god’ genoemd en in de religies wordt het verbonden met autoritaire structuren. Daar wordt het vaak gevuld door menselijke projecties. Zen negeert die projecties, laat het mysterie volledig mysterie, in een alomvattend niet-weten, in het NIETS. Maar tegelijkertijd valt het bestaan van de mens op het vlak van het ervaren samen met dat alles dragende mysterie, met dat ENE: ten diepste is er géén twee, is alles non-duaal. Een mens die zijn plaats niet kent in de kosmos, in het leven zondermeer, komt nooit thuis, kent zichzelf niet, vergist zich in vermeende (over)macht en vermeende (zelf)overschatting. In heelheid mens worden heeft te maken met verwondering en dank DÁT ik er zomaar precies zó ben, uit een bron die ik niet ken, maar die ik wel voluit ervaar van ogenblik tot ogenblik. Het besef dat de maakbaarheid van het mens-zijn een dwaalidee is, maakt innerlijk vrij. Het besef dat alles máákbaar is, overvraagt en daagt uit tot boven mensenmaat, vermoeit en put uit, kent geen rust. Mogelijk is de diepte van de zen-ervaring toch een bescheiden, maar waardevolle bijdrage aan een andere kijk op ons mens- zijn als de neo-liberale visie van de máákbaarheid. De Wachter schrijft dat hij helaas mindfullness veelal ziet afglijden naar een manier van mediteren die reeds is ingekapseld door de heersende tijdsgeest: als ik mindfullness doe… dan kan ik de ratrace wellicht weer beter aan… (Dirk De Wachter, Borderline Times, blz. 226). Verhaeghe beveelt meditatie aan als een mogelijkheid van kritisch naar zichzelf en de ander omzien (Paul Verhaeghe, Intimiteit, blz. 264 e.v.). Wellicht is de diepte van zen een waardevolle richtingwijzer voor wie in onze dagen wil leren mediteren. Eenvoud en enkelvoud van zijn, zich één weten met wat er zomaar precies zó is als “het subliem gewone” waarin het mens- zijn zichzelf ontvangt. Moge die ervaring velen rust geven in verwondering en in dank. Kees van den Muijsenberg.