ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 17 - mei 2021
Laten Onlangs hoorde ik in een praatshow een marien bioloog reageren op de vraag: “Wat kunnen we doen om de oceanen te redden?” Gerefereerd werd aan het werk van een fotograaf die overal op aarde de oceanen en zeeën had gezien. Daarbij had het hem geraakt dat de oceanen overal waar je maar gaat ernstig beschadigd zijn. Het grootste ecosysteem dat er is – de oceanen – is zo agressief bevist en ontgonnen, bevuild en vergiftigd, dat dit systeem in elkaar dreigt te storten. De bioloog legde uit dat de voedselketen in die enorme watermassa’s vergeleken kan worden met een gelaagde pyramide die uiteindelijk ineenstort als je er een laag uithaalt, bijvoorbeeld een bepaalde soort vissen weghaalt door overbevissing, of een groep organismen vernietigt door vergiftiging. De gevolgen van het instorten van zo’n wereldwijd ecosysteem zijn enorm, voorspelde hij, voor al het andere leven op aarde. Ook voor het leven van de mens. Op de vraag of deze ineenstorting nog zou kunnen worden voorkomen antwoordde hij dat we de zee eigenlijk met rust zouden moeten laten. We zouden een tijd lang moeten ophouden met bevissen, met bevuilen, met vergiftigen en vernietigen. Als de mens de zee met rust zou laten, dan kan die zich waarschijnlijk nog wel herstellen. Als de mensheid zou kunnen laten In een teisho van zenmeester Poraj hoorde ik ooit dat laten het enig mogelijke initiatief is van de mens zoals de zen-traditie dat ziet. Zitten is zo’n vorm van laten. We doen dan niets behalve het zitten in stilte. Impulsen die door ons lichaam en door onze geest gaan laten we passeren zonder er iets mee te doen, zonder er in mee te gaan, zonder ze tegen te houden of ze te versterken: ze mogen er zijn als een stromen dat zijn eigen gang mag gaan. Preciezer gezegd: de impulsen die opkomen en die ‘ik’ ben, die mogen er zijn zoals ze er zomaar precies zó zijn. In het dagelijkse leven doe ‘ik’ met die impulsen van alles… maar in het zitten in stilte laat ‘ik’ ze gebeuren zonder te reageren. In het zitten laat ‘ik’ mijzelf gebeuren en zie dat aan, zonder iets te doen. Dit laten ziet Poraj als wellicht de enige vorm van initiatief die er voor de mens mogelijk is. De schot Stephen Batchelor, gewezen Tibetaans-boeddhistische monnik en gerespecteerd Boeddhakenner, werkt hetzelfde thema veel verder uit. Voor hem staat in de levenswijze van Boeddha ‘niet reactief zijn’ gelijk aan het zicht krijgen op de ervaring van het nirvana, op de meest diepgaande menselijke ervaring van bevrijding. ‘Niet reactief zijn’ is bij hem de relatie openen met wat ‘ik’ zomaar ben, de relatie aangaan met wat ‘ik’ ben voordat ‘ik’ reageer, voordat ‘ik’ een initiatief nemen kan. Waarbij hij uitwerkt dat de mens het leven zomaar ontvangt uit iets wat wij niet kennen en nooit zullen kennen, maar wel voortdurend ervaren en zijn. Alles verschijnt zomaar uit die niet-gekende grond van het bestaan, zegt hij. Hij noemt alles wat er maar verschijnt en verdwijnt – ook de mens – ‘al het subliem gewone’. Boeddha leefde na zijn ontwaken in verwondering over al wat hijzelf zomaar was en over al wat hem zomaar omgaf. Boeddha leefde volgens Batchelor met psycho-somatische aandacht voor ‘al het subliem gewone’. Hij leefde met aandacht voor het beangstigend veranderlijke van het lichaam en van de geest van de mens, en van zijn omgeving. Het beangstigend veranderlijke wordt ook wel het lijden genoemd. Ontwaken was voor Boeddha het vanzelf en uit zichzelf met zorg aandachtig zijn. ‘Zorgzame aandacht’ ontwikkelen voor ‘al het subliem gewone’: dat was de kern van Boeddha’s ontwaken. ‘Al het subliem gewone’, alles dat ons zomaar verschijnend en verdwijnend omgeeft, bracht hem in contact met het mysterie van ons eigen menselijke bestaan. De verwondering over dat mysterie maakte van Boeddha een grenzeloos ópen mens, een ontwakende mens, een mens in verwondering waar hij ook ging. Het ‘niet-reactief zijn’ of het ‘laten’ blijkt buitengewoon moeilijk te zijn voor de mens. Allereerst grijpt de mens gemakkelijk naar verklaringen waarmee hij ‘al het subliem gewone’ dat hij mede zelf is, kan verklaren, begrijpen en in de greep nemen. Meta-fysiek en ascetisme zijn pogingen dat mysterie in de greep te krijgen dat ‘al het subliem gewone’ draagt. Boeddha wordt belaagd door asceten en filosofen als hij niet in hun pogingen meegaat, maar allereerst en allerlaatst zichzelf en zijn omgeving er zomaar ‘laat’ zijn. Boeddha accepteert het niet-weten en het niet-kunnen als de leegte die eigen is aan elk mens-zijn. Sterker nog: Batchelor laat zien dat die mens die zijn niet-weten en zijn niet- kunnen accepteert en in de beperktheid van het hier-en-nu in ‘zorgzame aandacht’ leeft, dat juist die mens de relatie aangaat met het mysterie dat ‘al het subliem gewone’ voortbrengt. De diersoort mens treedt dan in ‘de stroom’ van het bestaan door eigen lichaam en geest te ervaren als gelijk oorspronkelijk met ‘al het subliem gewone’, met de natuur, met het landschap en de zon, met licht en donker, met alles wat zomaar verschijnt en verdwijnt. Denken moet ik ook aan een medebroeder van mij, een Duitse kapucijn, die missionaris was in Mexico. Hij trok te voet de bergen door van indianendorp naar indianendorp, en probeerde hun leven te verstaan door het zo goed als mogelijk te delen. Hij kan beeldend verhalen wat hij leerde: hoe een indiaan voordat hij een geurige drank uit een bloemkelk schept, eerst in gebedshouding bij de plant verblijft. Nooit zal hij de bloem beschadigen of de plant vernietigen die hem die drank geeft. De indiaan leeft dankbaar in ‘al het subliem gewone’ dat hem omgeeft en waar hij zich één mee weet. De betreffende medebroeder verdedigde de dorpen tegen het opdringend grootgrondbezit en moest uiteindelijk vluchten voor zijn leven. Nu is hij vrijgesteld als meditatieleraar en leeft in het Sauerland als kluizenaar. Batchelor citeert Boeddha die de uitspraak deed: “De wijze beweegt zich door het dorp zoals een bij, van bloem tot bloem, nectar verzamelt zonder beschadiging van bloem, kleur of geur.” Mijn medebroeder ziet het doorgeven van deze meditatieve levenshouding aan westerse mensen als de belangrijkste taak die hij zich nog in zijn kapucijnenleven stellen kan, en tot het volbrengen van die taak perkt hij zijn leven in. Bij het lezen van Batchelor komt bij mij de vraag op of wij, westers consumerende mensen, nog kunnen ‘laten’. Kan de mensheid nog iets dat op deze aarde aan hem verschijnt ‘laten’? Vrijwel dagelijks blijkt van niet. Elke dag bereiken mij als eenvoudige krantlezer of televisiekijker de berichten dat de mens heel aarde, ‘al het subliem gewone’, in de greep heeft genomen. Eerst en vooral door de hele aarde op te eisen voor de eigen soort die men is, de diersoort mens. Er is géén kust meer te vinden waar zich met het zand geen microplastic heeft vermengd. De temperatuur van ‘al het subliem gewone‘ stijgt wereldwijd door toedoen van de mens met enkele graden per eeuw. De mens heeft de natuur gevangen in zijn menselijke greep: ‘al het subliem gewone’ is omgezet in wat de mens er van maken en gebruiken wil, in cultuur. Over honderd jaar zullen de belangrijkste ertsen die zich in miljarden jaren hebben gevormd geplunderd zijn. Een Inuït stam (Eskimo’s) in Groenland verzet zich in deze dagen tegen de plundering van uranium-houdende gronden beneden hun viswateren. Maar het uranium is nodig voor onze mobieltjes, zo wordt geantwoord. Maar onze visgronden zijn daarna onherstelbaar vergiftigd en gedood, antwoorden de Inuït, terwijl onze voorvaderen door de eeuwen heen hier de vis vingen zonder de natuur te schaden. Dichter bij huis hoor ik dat vandaag nog duizenden liters gif in de Maas stromen, dat landerijen nog steeds met gif worden bewerkt, dat dieren en vruchten gedegradeerd zijn tot industrieel product. Maar ook heb ik de indruk dat wij als mensen onszelf zijn kwijtgeraakt in een jungle van beton en plastic, in een jungle van overbevolking door mensen, in een jungle van een enorme hoeveelheid digitale non-communicatie, in de jungle van de harde strijd om nog veel meer om te grijpen en te hebben, te consumeren. Wat zou het doel daarvan kunnen zijn – van die uitputtende race waar we nog slechts uit weg mogen gaan als we er door overbelasting of ziekte of ouderdom uit weg vallen? Boeiend vind ik het hoe Boeddha zich on-middellijk plaatste in zijn omgeving, in ‘al het subliem gewone’, in al wat hem als mens van lichaam en geest on-middellijk omgaf, in wat hem het leven gaf. En hoe ontwaken voor Boeddha was als het vinden van ‘zorgzame aandacht’ voor ‘al het subliem gewone’ dat er zomaar is: de aarde, de dieren, de zeeën en de luchten, de maan en de sterren, en… de mens zelf. Dit ontwaken vertaalt Batchelor als het betreden van de stroom’. Boeddha werd een ‘stroombetreder’ door contact te maken – steeds opnieuw – met de ene ‘flow’ die het universum is, en die al het sublieme is. Met die éne ‘flow’ die de zo lichamelijke mens is en al wat hem omgeeft. Met die éne ‘flow’ die al het subliem gewone’ is, het wonder van ons bestaan. Boeddha werd een ‘tatha-gata’, een mens die zó (‘tatha’) de weg gaat (‘gata’) in het éne ‘stromen’ dat er maar is. Bij de ontwikkeling van zijn visie op een seculier boeddhisme – een boeddhisme voorbij het boeddhisme als religie – doet Batchelor een beroep op de zen-traditie als de traditie die door middel van koans almaar het contact met ‘al het subliem gewone’ legt. Het hervinden van ‘zorgzame aandacht’ - het ontwaken - ziet Batchelor als het enige antwoord op de crisis waar de mensheid zich nu in bevindt. De koan ‘Wie ben ik?’, die speelde in het gesprek van de eerste patriarch Boddhidharma met de keizer, wordt geradicaliseerd in de wijze waarop de zesde patriarch Huineng de koan formuleert: ‘Wat ben ik?’ Kan een mens zich ooit losmaken van ‘al het subliem gewone’ dat hij mede zelf is? Kan de mensheid zich ooit losmaken van de kosmos en van de natuur die hem omgeeft, die hem draagt en die hem het leven geeft? Het is inmiddels een jaar geleden dat Jaeger overleed. Het valt mij op dat hij zo nauw verwant is met Batchelor in zijn visie op de mensheid en op de crisis die de mensheid doormaakt. ‘Ganz Mensch werden’ is de titel die werd meegegeven aan een citatenboek dat onlangs verscheen en dat zijn levenswerk samenvat. Een mens (her)vindt zichzelf slechts dan als hij wil verstaan dat zijn ‘ik’ niet meer is als een wimperslag in het universum, als een wimperslag van het universum. Jaeger benadrukte dat die zelfde mens de aarde gaat vernietigen als hij er niet in slaagt zijn ‘ego’ te ontgrenzen, zichzelf weer in contact te brengen met het mysterie dat dit vluchtige veranderlijke menselijke ‘ego’ draagt. Als de mensheid zichzelf centraal stelt – dan zal diezelfde mensheid de aarde en het eigen leven te gronde richten, zo benadrukte hij in vrijwel elke teisho die hij in de laatste jaren van zijn leven nog hield. Het ‘ego’ dat zichzelf (dwalend) ziet als het centrum van de kosmos zal zich voortdurend bedreigd voelen en alles om zich heen vernietigen in de naam van het zelfbehoud, in de naam van het belang van de eigen diersoort mens. Laten’ is moeilijk. Is het nog mogelijk? Kunnen wij – zoals de maritiem bioloog bepleit – de oceanen nog ‘laten’? Hervinden wij als mensheid nog de plaats die we van oorsprong hebben, als diersoort te midden van ‘al het subliem gewone’? Lukt het ons mensen nog onszelf daar ten diepste in éénheid mee verbonden te weten, als mensen met een lichaam van vlees en bloed en geest? Kan de mensheid nog de weg vinden naar het ophouden met de aarde te gebruiken en te schaden uit exclusief eigenbelang? Kan de mens nog ontwaken zoals dat Boeddha lukte, in ‘zorgzame aandacht’ voor ‘al het subliem gewone’? Ik ervaar het als een aandringende vraag, een heel spannende vraag. Mogelijk dat de zen-traditie een richting wijst. Voor wie wil reikt de zen-weg in ieder geval ieder van ons een persoonlijke weg aan die de moeite waard is om te verkennen. Het is de moeite waard een ‘tatha-gata’ te worden, een zó gaande mens te worden, altijd in verwondering over ‘al het subliem gewone’ dat zomaar verschijnt en verdwijnt. In verwondering ook over onszelf als lichaam en geest, als mens, als mensheid die zomaar verschijnt en verdwijnt. Lukt het ons nog om als door-en-door aardse mens onze plaats te vinden? Kees van den Muijsenberg
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 17 - mei 2021
Laten Onlangs hoorde ik in een praatshow een marien bioloog reageren op de vraag: “Wat kunnen we doen om de oceanen te redden?” Gerefereerd werd aan het werk van een fotograaf die overal op aarde de oceanen en zeeën had gezien. Daarbij had het hem geraakt dat de oceanen overal waar je maar gaat ernstig beschadigd zijn. Het grootste ecosysteem dat er is – de oceanen – is zo agressief bevist en ontgonnen, bevuild en vergiftigd, dat dit systeem in elkaar dreigt te storten. De bioloog legde uit dat de voedselketen in die enorme watermassa’s vergeleken kan worden met een gelaagde pyramide die uiteindelijk ineenstort als je er een laag uithaalt, bijvoorbeeld een bepaalde soort vissen weghaalt door overbevissing, of een groep organismen vernietigt door vergiftiging. De gevolgen van het instorten van zo’n wereldwijd ecosysteem zijn enorm, voorspelde hij, voor al het andere leven op aarde. Ook voor het leven van de mens. Op de vraag of deze ineenstorting nog zou kunnen worden voorkomen antwoordde hij dat we de zee eigenlijk met rust zouden moeten laten. We zouden een tijd lang moeten ophouden met bevissen, met bevuilen, met vergiftigen en vernietigen. Als de mens de zee met rust zou laten, dan kan die zich waarschijnlijk nog wel herstellen. Als de mensheid zou kunnen laten In een teisho van zenmeester Poraj hoorde ik ooit dat laten het enig mogelijke initiatief is van de mens zoals de zen-traditie dat ziet. Zitten is zo’n vorm van laten. We doen dan niets behalve het zitten in stilte. Impulsen die door ons lichaam en door onze geest gaan laten we passeren zonder er iets mee te doen, zonder er in mee te gaan, zonder ze tegen te houden of ze te versterken: ze mogen er zijn als een stromen dat zijn eigen gang mag gaan. Preciezer gezegd: de impulsen die opkomen en die ‘ik’ ben, die mogen er zijn zoals ze er zomaar precies zó zijn. In het dagelijkse leven doe ‘ik’ met die impulsen van alles… maar in het zitten in stilte laat ‘ik’ ze gebeuren zonder te reageren. In het zitten laat ‘ik’ mijzelf gebeuren en zie dat aan, zonder iets te doen. Dit laten ziet Poraj als wellicht de enige vorm van initiatief die er voor de mens mogelijk is. De schot Stephen Batchelor, gewezen Tibetaans-boeddhistische monnik en gerespecteerd Boeddhakenner, werkt hetzelfde thema veel verder uit. Voor hem staat in de levenswijze van Boeddha ‘niet reactief zijn’ gelijk aan het zicht krijgen op de ervaring van het nirvana, op de meest diepgaande menselijke ervaring van bevrijding. ‘Niet reactief zijn’ is bij hem de relatie openen met wat ‘ik’ zomaar ben, de relatie aangaan met wat ‘ik’ ben voordat ‘ik’ reageer, voordat ‘ik’ een initiatief nemen kan. Waarbij hij uitwerkt dat de mens het leven zomaar ontvangt uit iets wat wij niet kennen en nooit zullen kennen, maar wel voortdurend ervaren en zijn. Alles verschijnt zomaar uit die niet-gekende grond van het bestaan, zegt hij. Hij noemt alles wat er maar verschijnt en verdwijnt – ook de mens – ‘al het subliem gewone’. Boeddha leefde na zijn ontwaken in verwondering over al wat hijzelf zomaar was en over al wat hem zomaar omgaf. Boeddha leefde volgens Batchelor met psycho-somatische aandacht voor ‘al het subliem gewone’. Hij leefde met aandacht voor het beangstigend veranderlijke van het lichaam en van de geest van de mens, en van zijn omgeving. Het beangstigend veranderlijke wordt ook wel het lijden genoemd. Ontwaken was voor Boeddha het vanzelf en uit zichzelf met zorg aandachtig zijn. ‘Zorgzame aandacht ontwikkelen voor ‘al het subliem gewone’: dat was de kern van Boeddha’s ontwaken. Al het subliem gewone’, alles dat ons zomaar verschijnend en verdwijnend omgeeft, bracht hem in contact met het mysterie van ons eigen menselijke bestaan. De verwondering over dat mysterie maakte van Boeddha een grenzeloos ópen mens, een ontwakende mens, een mens in verwondering waar hij ook ging. Het ‘niet-reactief zijn’ of het ‘laten’ blijkt buitengewoon moeilijk te zijn voor de mens. Allereerst grijpt de mens gemakkelijk naar verklaringen waarmee hij al het subliem gewone’ dat hij mede zelf is, kan verklaren, begrijpen en in de greep nemen. Meta-fysiek en ascetisme zijn pogingen dat mysterie in de greep te krijgen dat ‘al het subliem gewone’ draagt. Boeddha wordt belaagd door asceten en filosofen als hij niet in hun pogingen meegaat, maar allereerst en allerlaatst zichzelf en zijn omgeving er zomaar ‘laat zijn. Boeddha accepteert het niet-weten en het niet-kunnen als de leegte die eigen is aan elk mens-zijn. Sterker nog: Batchelor laat zien dat die mens die zijn niet-weten en zijn niet-kunnen accepteert en in de beperktheid van het hier-en-nu in zorgzame aandacht’ leeft, dat juist die mens de relatie aangaat met het mysterie dat ‘al het subliem gewone’ voortbrengt. De diersoort mens treedt dan in ‘de stroom’ van het bestaan door eigen lichaam en geest te ervaren als gelijk oorspronkelijk met ‘al het subliem gewone’, met de natuur, met het landschap en de zon, met licht en donker, met alles wat zomaar verschijnt en verdwijnt. Denken moet ik ook aan een medebroeder van mij, een Duitse kapucijn, die missionaris was in Mexico. Hij trok te voet de bergen door van indianendorp naar indianendorp, en probeerde hun leven te verstaan door het zo goed als mogelijk te delen. Hij kan beeldend verhalen wat hij leerde: hoe een indiaan voordat hij een geurige drank uit een bloemkelk schept, eerst in gebedshouding bij de plant verblijft. Nooit zal hij de bloem beschadigen of de plant vernietigen die hem die drank geeft. De indiaan leeft dankbaar in ‘al het subliem gewone’ dat hem omgeeft en waar hij zich één mee weet. De betreffende medebroeder verdedigde de dorpen tegen het opdringend grootgrondbezit en moest uiteindelijk vluchten voor zijn leven. Nu is hij vrijgesteld als meditatieleraar en leeft in het Sauerland als kluizenaar. Batchelor citeert Boeddha die de uitspraak deed: “De wijze beweegt zich door het dorp zoals een bij, van bloem tot bloem, nectar verzamelt zonder beschadiging van bloem, kleur of geur.” Mijn medebroeder ziet het doorgeven van deze meditatieve levenshouding aan westerse mensen als de belangrijkste taak die hij zich nog in zijn kapucijnenleven stellen kan, en tot het volbrengen van die taak perkt hij zijn leven in. Bij het lezen van Batchelor komt bij mij de vraag op of wij, westers consumerende mensen, nog kunnen ‘laten’. Kan de mensheid nog iets dat op deze aarde aan hem verschijnt ‘laten’? Vrijwel dagelijks blijkt van niet. Elke dag bereiken mij als eenvoudige krantlezer of televisiekijker de berichten dat de mens heel aarde, ‘al het subliem gewone’, in de greep heeft genomen. Eerst en vooral door de hele aarde op te eisen voor de eigen soort die men is, de diersoort mens. Er is géén kust meer te vinden waar zich met het zand geen microplastic heeft vermengd. De temperatuur van ‘al het subliem gewone stijgt wereldwijd door toedoen van de mens met enkele graden per eeuw. De mens heeft de natuur gevangen in zijn menselijke greep: ‘al het subliem gewone’ is omgezet in wat de mens er van maken en gebruiken wil, in cultuur. Over honderd jaar zullen de belangrijkste ertsen die zich in miljarden jaren hebben gevormd geplunderd zijn. Een Inuït stam (Eskimo’s) in Groenland verzet zich in deze dagen tegen de plundering van uranium- houdende gronden beneden hun viswateren. Maar het uranium is nodig voor onze mobieltjes, zo wordt geantwoord. Maar onze visgronden zijn daarna onherstelbaar vergiftigd en gedood, antwoorden de Inuït, terwijl onze voorvaderen door de eeuwen heen hier de vis vingen zonder de natuur te schaden. Dichter bij huis hoor ik dat vandaag nog duizenden liters gif in de Maas stromen, dat landerijen nog steeds met gif worden bewerkt, dat dieren en vruchten gedegradeerd zijn tot industrieel product. Maar ook heb ik de indruk dat wij als mensen onszelf zijn kwijtgeraakt in een jungle van beton en plastic, in een jungle van overbevolking door mensen, in een jungle van een enorme hoeveelheid digitale non-communicatie, in de jungle van de harde strijd om nog veel meer om te grijpen en te hebben, te consumeren. Wat zou het doel daarvan kunnen zijn – van die uitputtende race waar we nog slechts uit weg mogen gaan als we er door overbelasting of ziekte of ouderdom uit weg vallen? Boeiend vind ik het hoe Boeddha zich on- middellijk plaatste in zijn omgeving, in ‘al het subliem gewone’, in al wat hem als mens van lichaam en geest on-middellijk omgaf, in wat hem het leven gaf. En hoe ontwaken voor Boeddha was als het vinden van zorgzame aandacht’ voor ‘al het subliem gewone’ dat er zomaar is: de aarde, de dieren, de zeeën en de luchten, de maan en de sterren, en… de mens zelf. Dit ontwaken vertaalt Batchelor als ‘het betreden van de stroom’. Boeddha werd een stroombetreder’ door contact te maken – steeds opnieuw – met de ene ‘flow’ die het universum is, en die al het sublieme is. Met die éne ‘flow’ die de zo lichamelijke mens is en al wat hem omgeeft. Met die éne ‘flow die ‘al het subliem gewone’ is, het wonder van ons bestaan. Boeddha werd een ‘tatha- gata’, een mens die zó (‘tatha’) de weg gaat (‘gata’) in het éne ‘stromen’ dat er maar is. Bij de ontwikkeling van zijn visie op een seculier boeddhisme – een boeddhisme voorbij het boeddhisme als religie – doet Batchelor een beroep op de zen-traditie als de traditie die door middel van koans almaar het contact met ‘al het subliem gewone’ legt. Het hervinden van ‘zorgzame aandacht’ - het ontwaken - ziet Batchelor als het enige antwoord op de crisis waar de mensheid zich nu in bevindt. De koan ‘Wie ben ik?’, die speelde in het gesprek van de eerste patriarch Boddhidharma met de keizer, wordt geradicaliseerd in de wijze waarop de zesde patriarch Huineng de koan formuleert: ‘Wat ben ik?’ Kan een mens zich ooit losmaken van ‘al het subliem gewone’ dat hij mede zelf is? Kan de mensheid zich ooit losmaken van de kosmos en van de natuur die hem omgeeft, die hem draagt en die hem het leven geeft? Het is inmiddels een jaar geleden dat Jaeger overleed. Het valt mij op dat hij zo nauw verwant is met Batchelor in zijn visie op de mensheid en op de crisis die de mensheid doormaakt. ‘Ganz Mensch werden’ is de titel die werd meegegeven aan een citatenboek dat onlangs verscheen en dat zijn levenswerk samenvat. Een mens (her)vindt zichzelf slechts dan als hij wil verstaan dat zijn ‘ik’ niet meer is als een wimperslag in het universum, als een wimperslag van het universum. Jaeger benadrukte dat die zelfde mens de aarde gaat vernietigen als hij er niet in slaagt zijn ‘ego’ te ontgrenzen, zichzelf weer in contact te brengen met het mysterie dat dit vluchtige veranderlijke menselijke ‘ego’ draagt. Als de mensheid zichzelf centraal stelt – dan zal diezelfde mensheid de aarde en het eigen leven te gronde richten, zo benadrukte hij in vrijwel elke teisho die hij in de laatste jaren van zijn leven nog hield. Het ‘ego’ dat zichzelf (dwalend) ziet als het centrum van de kosmos zal zich voortdurend bedreigd voelen en alles om zich heen vernietigen in de naam van het zelfbehoud, in de naam van het belang van de eigen diersoort mens. Laten’ is moeilijk. Is het nog mogelijk? Kunnen wij – zoals de maritiem bioloog bepleit – de oceanen nog ‘laten’? Hervinden wij als mensheid nog de plaats die we van oorsprong hebben, als diersoort te midden van ‘al het subliem gewone’? Lukt het ons mensen nog onszelf daar ten diepste in éénheid mee verbonden te weten, als mensen met een lichaam van vlees en bloed en geest? Kan de mensheid nog de weg vinden naar het ophouden met de aarde te gebruiken en te schaden uit exclusief eigenbelang? Kan de mens nog ontwaken zoals dat Boeddha lukte, in zorgzame aandacht’ voor ‘al het subliem gewone’? Ik ervaar het als een aandringende vraag, een heel spannende vraag. Mogelijk dat de zen-traditie een richting wijst. Voor wie wil reikt de zen-weg in ieder geval ieder van ons een persoonlijke weg aan die de moeite waard is om te verkennen. Het is de moeite waard een tatha-gata’ te worden, een zó gaande mens te worden, altijd in verwondering over ‘al het subliem gewone’ dat zomaar verschijnt en verdwijnt. In verwondering ook over onszelf als lichaam en geest, als mens, als mensheid die zomaar verschijnt en verdwijnt. Lukt het ons nog om als door- en-door aardse mens onze plaats te vinden? Kees van den Muijsenberg.