ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 16- maart 2021
Gutei’s vinger Regelmatig wordt mij de vraag gesteld waarom ik niet over koans schrijf. Een koan, de bestaansvraag die opklinkt uit een korte anekdote – het geval - die meestal wordt voorafgegaan door een inleiding en wordt gevolgd door het commentaar en/of het vers. Mijn antwoord is dan altijd dat ik daar niet over schrijf omdat dit de koan stuk maakt in zijn werking. Niet voor niets zijn er vele zenmeesters die niet willen schrijven over een koan in de overtuiging dat dat niet passend is. Daar ben ik het mee eens. Een koan brengt leerling en meester/leraar in de gedeelde situatie van non-duaal ervaren, in het ogenblik. Het contact tussen meester/leraar en leerling is niet in woorden te vangen. Woorden en denken maken die situatie onmogelijk. Dat contact speelt zich af in onmiddellijk en niet-bemiddeld ervaren: de situatie die in de koan wordt geschetst wordt even het hier-en-nu voor beiden en neemt het zo over van het denken en spreken. Woorden schieten tekort in de koan scholing: een menselijke ervaring is zoveel breder als wat iemand met woorden zeggen kan. En aan die breedte raakt de koan, keer na keer in de scholing, en steeds weer opnieuw in het leven zelf als de koan zich inhoudelijk gaat realiseren in de ervaring van de leerling. Die realisatie houdt nooit meer op als de koan eenmaal werkzaam is geworden in de steeds weer nieuwe situaties die het leven geeft. Toch wil ik een keer over een koan schrijven, nu er in de corona lockdown geen sesshins mogelijk zijn. Er over schrijven is nu de enige mogelijkheid een koan aan te reiken. Wellicht in de hoop dat zij die met koans bezig zijn er motivatie uit putten daarmee door te gaan. Ik kies Mumonkan 3, Gutei’s vinger. We beperken ons tot het geval. Dat luidt in een veelgebruikte en wijd verbreide Nederlandse vertaling: Alles wat hem over zen werd gevraagd beantwoordde meester Gutei eenvoudig met het opsteken van een vinger. Eens vroeg een bezoeker aan Gutei’s jonge bediende: “Waaruit bestaat de leer van je meester?” Toen stak de knaap eveneens een vinger op. Toen Gutei dit hoorde, sneed hij de jongen met een mes zijn vinger af. Huilend van pijn liep de jongen weg. Gutei riep hem na. Toen de jongen zijn hoofd omdraaide, stak Gutei een vinger op. Toen werd de jongen plotseling verlicht. - - - Toen Gutei op sterven lag zei hij tot de verzamelde monniken: “Deze één-vinger-zen heeft Tenryu aan mij doorgegeven. Ik heb hem mijn hele leven gebruikt maar niet alles eruit gehaald wat er in zit.” Na deze woorden trad hij het nirvana binnen. Natuurlijk heb ik enkele commentaren op deze koan verkend. Maar graag poog ik een spoor te trekken dat mij aanspreekt en dat ik ook vanuit mijzelf trekken kan. Zonder pretentie, maar aangeboden aan de lezer als een eerste verkenning van het gehalte van deze koan. Een koan die de moeite waard is om er mee op weg te gaan, vind ik. Wie was Gutei? Gutei was een zoeker. Hij had flink gestudeerd op de vraag wat het mysterie van het bestaan zou kunnen zijn. Alles had hij daarvoor over: hij was in het klooster getreden om zijn hele leven door die vraag te laten leiden. Daar had hij een methode gevonden om in dat mysterie door te dringen op eigen initiatief en er houvast in te vinden. Hij kon eindeloos mantra’s zingen, teksten prachtig uitleggen, en via die woorden zichzelf en het mysterie zo beleven dat hij tot een mooi ervaren kwam. Daarin had hij voorbeeldig vordering gemaakt, hij had er rust in gevonden, werd meester benoemd en mocht nu zelfs als ‘meester Gutei’ een klooster leiden. Totdat een non, een vrouw die een geweldige zen-ervaring en levenswijsheid ten deel was gevallen, hem bezocht en hem uitdaagde. Zij liep in nederige gestalte driemaal om hem heen terwijl hij op zijn verhoogde zetel zat, erkende hem zo als de leidinggevende meester. Daarna bleef ze plots pal voor hem staan om hem recht en onontkoombaar in het gelaat te zien, en vroeg hem NU iets te zeggen waaruit de rijpheid van zijn zen- ervaring zou mogen blijken. Gutei raakte verlamd, in innerlijke paniek, bleef gevangen in zijn gewoonte om met woorden de situatie te beheersen. Het lukte hem niet NU iets te zeggen of te doen, kwam niet in het ogenblik, viel weg in dwalend en zoekend denken om in zichzelf een antwoord te construeren dat de schijn van wijsheid ophouden kon. De vrouw doorzag de meester in zijn vertwijfeling. Ze zette hem voor schut. Gutei viel door de mand in de zen-ontmoeting met deze vrouw die een veel dieper niveau van ervaren in zich droeg als hij. In die vertwijfeling liet ze hem…, weigerde verder contact en vertrok. Prachtig is deze anekdote. De non – een vrouw! – getuigt van haar vloeiende zen-ervaring die de begrenzing van het denken en spreken ver achter zich laat. Met heel haar persoon, met alles wat zij is, staat zij daar voor de mannelijke leider, de baas van het klooster, meester Gutei, en stelt hem een heel simpele vraag. In de door en door patriarchale cultuur van het oude China doorbreekt zij de vermeende superioriteit van de man. De zen-traditie zet deze koan neer als de derde van de vijftig koans: al in het begin van de scholing die de Mumonkan is, krijgt de leerling dit mee. In de zen-ervaring is er géén superioriteit van wie dan ook en derhalve ook géén hiërarchie… Of iemand iets te zeggen heeft, hangt af van het gehalte van zijn of haar vloeiende altijd veranderlijke en oorspronkelijke ervaren. Het hangt niet af van zijn of haar (gestabiliseerde) status, macht, verdienste of geslacht: die bieden geen enkel houvast. Knap dat de door mannen zozeer en zo eenzijdig gedomineerde zen-traditie in een patriarchale tijd dit teken stelt aan het begin van de koan scholing. Gutei, zo mogen we achter de commentaren door verstaan, raakt in crisis. Hij gaat zwerven. Hij maakt zich daarmee thuisloos en verzwakt het houvast dat hij als mens op een vaste positie in zijn kloostergemeenschap had, op zoek naar een meester die hem verder kan helpen. Hij zoekt het in onderwerping aan een strenge zen-training. Nog zo’n valkuil: hoe strenger hoe beter. Dan komt hij met al zijn bagage, met zijn studie, met zijn vaardigheid in het uitleggen van sutra teksten en in het zingen van mantra’s, bij meester Tenryu in de leer. Die leert hem kennen en gaat hem doorzien. Als Tenryu dan weer eens wordt geconfronteerd met Gutei’s vraag naar allerdiepste kennis en vaardigheid, steekt hij zwijgend maar speels slechts één vinger in de lucht. Het allersimpelste en haast meest alledaagse woordeloze gebaar. Eenvoudiger – ènkelvoudiger - kan het niet… En precies dat wordt tot de schok die Gutei ondergaat. Nu niet uit eigen initiatief: de schok overkomt hem. Het éne speelse gebaar van Tenryu laat de complexiteit van Gutei’s vragen en denken imploderen tot de enkelvoud van het fysieke gebaartje van één vinger die wordt opgestoken. Tenryu moet keihard gelachen hebben bij het zien afvallen van het zinloze strenge vragen en denken van de arme meester Gutei. Die schok laat Gutei plots inzien en ervaren wat hij in al die teksten op rationeel niveau had doorwrocht en uitgezongen, maar waar hij ook in gevangen was geraakt. Ook nu weet Gutei niets te zeggen… maar gebeurt er iets heel nieuws en fundamenteels in hem: woorden en denken zijn het niet…! De éne vinger wijst in de stilte op iets dat vooraf en voorbij al zijn woorden is. Op iets dat zijn leven draagt maar wat niet in woorden te vangen is. Plots doorbreekt Tenryu met zijn oorspronkelijk gebaar van de éne vinger de gevangenschap in het denken en spreken waar Gutei onder leed. Plots ervaart Gutei dat er slechts het ENE is dat alles manifesteert… ook elke gedachte die opkomt of elk woord dat men maar spreken of zingen kan. Dat het ENE er is vooraf aan al mijn beheersende denken en doen op eigen initiatief. En dat het ENE zich nergens anders precies zó voordoet als in dit éne unieke ogenblik, in DIT hier-en-nu, niet-te-herhalen. De éne vinger van Tenryu laat alles wat Gutei op eigen initiatief studeerde en inoefende op z’n plaats vallen: er is slechts het ENE (non-duaal) dat mij uit ik-weet-niet-waarvandaan er-zomaar- om-niet laat zijn (non-causaal), in DIT ene vluchtige ogenblik dat veranderlijk vervloeit in een volgend vervloeiend ogenblik (non-substantieel). Niets blijft, niets is er te stabiliseren tot een houvast. Ook kennis niet. De strenge bestudeerde Gutei wordt door Tenryu gewezen op de ontstellende eenvoud die het leven op de zen-weg kenmerkt. Gutei’s leven ondergaat met een schok de verandering waar hij al zo lang naar zocht. Zijn persoon wordt door het gebaar van de éne vinger (om)gevormd en geleid naar authenticiteit die in de zen-traditie altijd de eenvoud als sieraad heeft. Gutei komt zelf later ook in zijn begeleiding van leerlingen niet meer los van dit allersimpelste woordeloze en pretentieloze gebaar: het opsteken van één vinger. Het is de ervaring van zijn leven geworden. De beslissende en meest transformerende ervaring voor hem op de zen-weg. Sindsdien is zijn leven een ervaring van ongekende groei, van zich almaar verdiepend inzicht, geleid door eenvoud, door enkelvoud, door het ENE dat zich in ogenschijnlijke veelheid toont, altijd nieuw. Dan komt er een jonge man bij hem in de leer die als oplossing van zijn levensvragen zijn toevlucht heeft genomen tot het veilig volgen van anderen. Het zo volgen van anderen is ook het instellen van een hiërarchie: ik volg diegene die hoger en belangrijker is als ikzelf. Een kloostergemeenschap is voor velen zo’n prachtige beschermende leefruimte geweest waar men door het houvast van regels en door anderen na te bootsen zich jarenlang kan handhaven. Zich handhaven door na te bootsen: dat doen dieren al, en ook wij mensen dragen het als een reflex in ons als we ergens bij willen horen. Nabootsing geeft duidelijkheid, oriëntatie en houvast, overzicht en veiligheid, status. We doen dat door mee te gaan in de mode, door onbewust ons gedrag aan te passen aan de meerderheid of aan de wil van de succesvolle leider, of door voor de veiligste weg te kiezen, de weg die bijna iedereen gaat. Gutei is zeer vertrouwd met de jongen: hij maakt hem tot zijn bediende. Hij ziet dat de jongen als uitgroeiende persoon door dit gedrag wordt bepaald en daar niet uit weg kan. Maar daardoor komt de jongen ook niet toe aan het vrij en meest-oorspronkelijk zichzelf zijn… In de ontwikkeling van de jongen die de zen-weg wil gaan doet zich dit voor als een ernstige blokkade. Wie ís hij eigenlijk? Durft hij dat te ervaren? Durft hij het houvast van de nabootsing los te laten... om zonder dat houvast op te laten komen uit het NIETS wie hijzelf is? De eerste koan van de zen-traditie legt de stichter van zen, Boddhidharma, deze startvraag van zen in de mond: “Wie/wat ben ik…?” De jongen is aan dat ervaringsniveau nog helemaal niet toegekomen. Een bezoeker aan het klooster vraagt de bediende dan naar de leer van zijn geliefde meester. Dat is in feite de vraag naar alles waar meester Gutei voor staat… en waar de jongen zich ijverig mee heeft geïdentificeerd, en dat zich symbolisch toont in het simpele gebaar van het opsteken van de éne vinger. Die identificatie is voor de jongen een bron van geluk geworden, maar ook een dwaalweg. Als de jongen dan opnieuw tot nabootsing overgaat, en Gutei dit verneemt, snijdt hij hem de vinger af. In de dynamiek en in de dramatiek van de koan wil dit zeggen: hij ontneemt de jongen elke mogelijkheid om zijn identiteit nog aan Gutei te ontlenen door die na te bootsen. Hij ontneemt de jongen ook de mogelijkheid om naar zijn meester nog op te zien alsof die op de zen-weg ooit méér zou kunnen zijn als hijzelf is. Zen is meest-oorspronkelijk ervaren, onmiddellijk en niet- bemiddeld: zen kent geen hiërarchie. Meester en leerling zijn elkaars gelijke in het éne ogenblik van verschijnen. Zij delen dezelfde éne (verschijnings)natuur met al wat is. We mogen er van uitgaan dat Gutei en de jongen zeer vertrouwd waren met elkaar: de jongen was de bediende die in het dagelijkse leven zijn meester vergezelde. Als de jongen na de verminking die Gutei aanbrengt wegloopt, is hij in het ogenblik, in het ervaren dat hem overkomt. De pijn is onontkoombaar, zijn huilen gaat door zijn hele lichaam heen. Vooraf aan de woorden en vooraf aan het denken - in het éne ogenblik dat er maar is. Buiten het ogenblik is er geen leven. Als Gutei hem dan roept en de bediende omkijkt, steekt de meester zijn vinger op. Hij herstelt daarmee - in de gedeelde presentie van dit ogenblik - de diepste band die hij met de bediende heeft – en forceert dat de jongen wegvalt uit het eerdere houvast, uit de identificatie met zijn meester. De jongen zal voortaan zijn eigen unieke weg moeten durven gaan bij het vinden van het antwoord op zijn vragen. De koan vertelt dan dat de jongen plotseling verlichting ervoer, in het ogenblik plots zicht kreeg op zijn eigen geblokkeerde grondhouding - en daaruit los viel. Doorheen de pijn realiseert zich de bevrijding die heel zijn persoon doortrekt. Hij zal nooit meer de oude zijn, wat door de koan ook fysiek wordt aangeduid: de vinger is afgesneden! Sommige commentatoren gaan er van uit dat het afsnijden van de vinger niet historisch kan zijn geweest, dat het zeker slechts symbolisch is bedoeld. Het mag niet van hen dat er in het oude China transformerend handelen bestond dat zich zozeer lichamelijk voltrekt, vaak in vreugde, hier in lijden en in pijn. Ik houd het er op dat het verhaal een stevige historische bodem heeft, ook in het zelfs fysiek aanbrengen van de verandering die de persoon van de jongen moest doormaken om op de zen-weg verder te kunnen komen. Er zijn meerdere koans waarin een verminking of wreedheid een doorbraak markeert. Door dit uit deze koan weg te verklaren laten we mogelijk ook al te gemakkelijk zien dat voor velen van ons verandering en bevrijding liefst “bedacht” moeten kunnen worden: als ik maar juist denk – dan denk ik mij vrij. Het is naar mijn mening mooi en juist dat in de koan traditie transformatie altijd héél de persoon omvat, de geest en het lichaam die de éne mens zijn, het éne ‘geestlichaam’ dat de mens is. Gutei verklaart op zijn sterfbed dat hij dit één vinger gebaar nooit heeft kunnen uitputten. Er is géén woord en er is geen handelen dat het ENE zoals zich dat altijd weer nieuw toont kan uitputten. Geest en lichaam manifesteren zich speels als VORM in het NIETS. Wijzelf zijn als bewustzijn de LEEGTE waarin we alles ontvangen wat we ook maar zijn, waarnemen of gewaarworden. De grote twijfel, die vaak de drijfveer voor de zen- ervaring wordt genoemd, mogen we ook positief verstaan als de grote verwondering, als een verblijdende nieuwsgierigheid die levenslust en vreugde geeft om wat we van ogenblik tot ogenblik zomaar precies zó zijn… Elk ogenblik nieuw. Gutei’s vinger. De derde koan in de rij van vijftig van de Mumonkan, de klassieke koan scholing. Nog helemaal aan het begin van die scholing doorbreekt een vrouw in een patriarchale cultuur de vermeende superioriteit van de man: de zen-ervaring houdt zich niet aan man- of vrouw-zijn. Er is géén hiërarchie in zen: er is slechts het unieke altijd zich vernieuwende ervaren - gekoppeld aan groeiend inzicht. Wie de zen-weg gaat moet het aandurven meest-oorspronkelijk voluit mens te zijn, zonder houvast, zonder hiërarchie, zonder te schuilen achter wie ‘groter’ is. Zonder zich in de veiligheid van voorgeschreven gedrag te verbergen, zich daarin te doden… In zen is hij die niet meer komen kan tot oorspronkelijk ervaren dood. Wie in het ogenblik is – die lééft, zelfs als hij stervende is. Waar Gutei’s vinger ons op wijst – dat is tot op heden moeilijk. De wereld zucht onder het onvermogen te leven vanuit het ENE, op de éne aarde die er maar is, en als de éne mensheid die er maar is. In de complexe veelheid - die we niet meer kunnen overzien - worden de ervaringen van het één-zijn en van de éénvoud onvindbaar. Maakt dat ons als moderne mensen niet uiterst kwetsbaar? Mensen slagen er niet in elkaar in vrede te zien als van-één-en-dezelfde-natuur, met het éne zelfde belang: het leven te laten gebeuren… het leven niet kapot te maken… Dat blijkt in onze dagen heel moeilijk te zijn. Nabootsen en meelopen is niet meer genoeg in de ogen van jongeren van wie verlangd wordt dat ze gaan (mee)doen in een wereld die zichzelf niet besturen kan… sterker nog: die zichzelf ernstig schaadt naar toekomst toe. Hiërarchie volstaat niet meer als richtinggevend model van ordening van de samenleving of als garantie voor veiligheid en moraal. Gutei’s vinger… een koan om mee op weg te gaan. Tenslotte: ik meen dat elke koan humor in zich draagt, voor wie in de vrijheid wil komen dat te zien. De wijze vrouw en haar spelen met Gutei, het allersimpelste speelse gebaartje van Tenryu dat Gutei voorgoed verandert, de bediende die zo zijn best doet, de ingreep van Gutei die je zo voor je ziet, de pijn van de wegrennende jongen en zijn ongeremde huilen, zijn omkijken en op slag tot inzicht komen, Gutei die juist voor het uitdoven van zijn leven voor de monniken nogmaals duidelijk maakt dat ook dit gebaar geen enkel houvast bieden zal… Ik denk dat er vaak een bevrijdende lach heeft geklonken in de dokusan ruimten waar meester en leerling de confrontatie met dit verhaaltje samen zijn aangegaan. Mooi. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 16 - maart 2021
Gutei’s vinger Regelmatig wordt mij de vraag gesteld waarom ik niet over koans schrijf. Een koan, de bestaansvraag die opklinkt uit een korte anekdote – het geval - die meestal wordt voorafgegaan door een inleiding en wordt gevolgd door het commentaar en/of het vers. Mijn antwoord is dan altijd dat ik daar niet over schrijf omdat dit de koan stuk maakt in zijn werking. Niet voor niets zijn er vele zenmeesters die niet willen schrijven over een koan in de overtuiging dat dat niet passend is. Daar ben ik het mee eens. Een koan brengt leerling en meester/leraar in de gedeelde situatie van non-duaal ervaren, in het ogenblik. Het contact tussen meester/leraar en leerling is niet in woorden te vangen. Woorden en denken maken die situatie onmogelijk. Dat contact speelt zich af in onmiddellijk en niet-bemiddeld ervaren: de situatie die in de koan wordt geschetst wordt even het hier-en-nu voor beiden en neemt het zo over van het denken en spreken. Woorden schieten tekort in de koan scholing: een menselijke ervaring is zoveel breder als wat iemand met woorden zeggen kan. En aan die breedte raakt de koan, keer na keer in de scholing, en steeds weer opnieuw in het leven zelf als de koan zich inhoudelijk gaat realiseren in de ervaring van de leerling. Die realisatie houdt nooit meer op als de koan eenmaal werkzaam is geworden in de steeds weer nieuwe situaties die het leven geeft. Toch wil ik een keer over een koan schrijven, nu er in de corona lockdown geen sesshins mogelijk zijn. Er over schrijven is nu de enige mogelijkheid een koan aan te reiken. Wellicht in de hoop dat zij die met koans bezig zijn er motivatie uit putten daarmee door te gaan. Ik kies Mumonkan 3, Gutei’s vinger. We beperken ons tot het geval. Dat luidt in een veelgebruikte en wijd verbreide Nederlandse vertaling: Alles wat hem over zen werd gevraagd beantwoordde meester Gutei eenvoudig met het opsteken van een vinger. Eens vroeg een bezoeker aan Gutei’s jonge bediende: “Waaruit bestaat de leer van je meester?” Toen stak de knaap eveneens een vinger op. Toen Gutei dit hoorde, sneed hij de jongen met een mes zijn vinger af. Huilend van pijn liep de jongen weg. Gutei riep hem na. Toen de jongen zijn hoofd omdraaide, stak Gutei een vinger op. Toen werd de jongen plotseling verlicht. - - - Toen Gutei op sterven lag zei hij tot de verzamelde monniken: “Deze één- vinger-zen heeft Tenryu aan mij doorgegeven. Ik heb hem mijn hele leven gebruikt maar niet alles eruit gehaald wat er in zit.” Na deze woorden trad hij het nirvana binnen. Natuurlijk heb ik enkele commentaren op deze koan verkend. Maar graag poog ik een spoor te trekken dat mij aanspreekt en dat ik ook vanuit mijzelf trekken kan. Zonder pretentie, maar aangeboden aan de lezer als een eerste verkenning van het gehalte van deze koan. Een koan die de moeite waard is om er mee op weg te gaan, vind ik. Wie was Gutei? Gutei was een zoeker. Hij had flink gestudeerd op de vraag wat het mysterie van het bestaan zou kunnen zijn. Alles had hij daarvoor over: hij was in het klooster getreden om zijn hele leven door die vraag te laten leiden. Daar had hij een methode gevonden om in dat mysterie door te dringen op eigen initiatief en er houvast in te vinden. Hij kon eindeloos mantra’s zingen, teksten prachtig uitleggen, en via die woorden zichzelf en het mysterie zo beleven dat hij tot een mooi ervaren kwam. Daarin had hij voorbeeldig vordering gemaakt, hij had er rust in gevonden, werd meester benoemd en mocht nu zelfs als ‘meester Gutei’ een klooster leiden. Totdat een non, een vrouw die een geweldige zen-ervaring en levenswijsheid ten deel was gevallen, hem bezocht en hem uitdaagde. Zij liep in nederige gestalte driemaal om hem heen terwijl hij op zijn verhoogde zetel zat, erkende hem zo als de leidinggevende meester. Daarna bleef ze plots pal voor hem staan om hem recht en onontkoombaar in het gelaat te zien, en vroeg hem NU iets te zeggen waaruit de rijpheid van zijn zen-ervaring zou mogen blijken. Gutei raakte verlamd, in innerlijke paniek, bleef gevangen in zijn gewoonte om met woorden de situatie te beheersen. Het lukte hem niet NU iets te zeggen of te doen, kwam niet in het ogenblik, viel weg in dwalend en zoekend denken om in zichzelf een antwoord te construeren dat de schijn van wijsheid ophouden kon. De vrouw doorzag de meester in zijn vertwijfeling. Ze zette hem voor schut. Gutei viel door de mand in de zen- ontmoeting met deze vrouw die een veel dieper niveau van ervaren in zich droeg als hij. In die vertwijfeling liet ze hem…, weigerde verder contact en vertrok. Prachtig is deze anekdote. De non – een vrouw! – getuigt van haar vloeiende zen- ervaring die de begrenzing van het denken en spreken ver achter zich laat. Met heel haar persoon, met alles wat zij is, staat zij daar voor de mannelijke leider, de baas van het klooster, meester Gutei, en stelt hem een heel simpele vraag. In de door en door patriarchale cultuur van het oude China doorbreekt zij de vermeende superioriteit van de man. De zen-traditie zet deze koan neer als de derde van de vijftig koans: al in het begin van de scholing die de Mumonkan is, krijgt de leerling dit mee. In de zen-ervaring is er géén superioriteit van wie dan ook en derhalve ook géén hiërarchie… Of iemand iets te zeggen heeft, hangt af van het gehalte van zijn of haar vloeiende altijd veranderlijke en oorspronkelijke ervaren. Het hangt niet af van zijn of haar (gestabiliseerde) status, macht, verdienste of geslacht: die bieden geen enkel houvast. Knap dat de door mannen zozeer en zo eenzijdig gedomineerde zen-traditie in een patriarchale tijd dit teken stelt aan het begin van de koan scholing. Gutei, zo mogen we achter de commentaren door verstaan, raakt in crisis. Hij gaat zwerven. Hij maakt zich daarmee thuisloos en verzwakt het houvast dat hij als mens op een vaste positie in zijn kloostergemeenschap had, op zoek naar een meester die hem verder kan helpen. Hij zoekt het in onderwerping aan een strenge zen-training. Nog zo’n valkuil: hoe strenger hoe beter. Dan komt hij met al zijn bagage, met zijn studie, met zijn vaardigheid in het uitleggen van sutra teksten en in het zingen van mantra’s, bij meester Tenryu in de leer. Die leert hem kennen en gaat hem doorzien. Als Tenryu dan weer eens wordt geconfronteerd met Gutei’s vraag naar allerdiepste kennis en vaardigheid, steekt hij zwijgend maar speels slechts één vinger in de lucht. Het allersimpelste en haast meest alledaagse woordeloze gebaar. Eenvoudiger – ènkelvoudiger - kan het niet… En precies dat wordt tot de schok die Gutei ondergaat. Nu niet uit eigen initiatief: de schok overkomt hem. Het éne speelse gebaar van Tenryu laat de complexiteit van Gutei’s vragen en denken imploderen tot de enkelvoud van het fysieke gebaartje van één vinger die wordt opgestoken. Tenryu moet keihard gelachen hebben bij het zien afvallen van het zinloze strenge vragen en denken van de arme meester Gutei. Die schok laat Gutei plots inzien en ervaren wat hij in al die teksten op rationeel niveau had doorwrocht en uitgezongen, maar waar hij ook in gevangen was geraakt. Ook nu weet Gutei niets te zeggen… maar gebeurt er iets heel nieuws en fundamenteels in hem: woorden en denken zijn het niet…! De éne vinger wijst in de stilte op iets dat vooraf en voorbij al zijn woorden is. Op iets dat zijn leven draagt maar wat niet in woorden te vangen is. Plots doorbreekt Tenryu met zijn oorspronkelijk gebaar van de éne vinger de gevangenschap in het denken en spreken waar Gutei onder leed. Plots ervaart Gutei dat er slechts het ENE is dat alles manifesteert… ook elke gedachte die opkomt of elk woord dat men maar spreken of zingen kan. Dat het ENE er is vooraf aan al mijn beheersende denken en doen op eigen initiatief. En dat het ENE zich nergens anders precies zó voordoet als in dit éne unieke ogenblik, in DIT hier-en-nu, niet-te-herhalen. De éne vinger van Tenryu laat alles wat Gutei op eigen initiatief studeerde en inoefende op z’n plaats vallen: er is slechts het ENE (non-duaal) dat mij uit ik-weet-niet-waarvandaan er- zomaar-om-niet laat zijn (non-causaal), in DIT ene vluchtige ogenblik dat veranderlijk vervloeit in een volgend vervloeiend ogenblik (non-substantieel). Niets blijft, niets is er te stabiliseren tot een houvast. Ook kennis niet. De strenge bestudeerde Gutei wordt door Tenryu gewezen op de ontstellende eenvoud die het leven op de zen-weg kenmerkt. Gutei’s leven ondergaat met een schok de verandering waar hij al zo lang naar zocht. Zijn persoon wordt door het gebaar van de éne vinger (om)gevormd en geleid naar authenticiteit die in de zen- traditie altijd de eenvoud als sieraad heeft. Gutei komt zelf later ook in zijn begeleiding van leerlingen niet meer los van dit allersimpelste woordeloze en pretentieloze gebaar: het opsteken van één vinger. Het is de ervaring van zijn leven geworden. De beslissende en meest transformerende ervaring voor hem op de zen-weg. Sindsdien is zijn leven een ervaring van ongekende groei, van zich almaar verdiepend inzicht, geleid door eenvoud, door enkelvoud, door het ENE dat zich in ogenschijnlijke veelheid toont, altijd nieuw. Dan komt er een jonge man bij hem in de leer die als oplossing van zijn levensvragen zijn toevlucht heeft genomen tot het veilig volgen van anderen. Het zo volgen van anderen is ook het instellen van een hiërarchie: ik volg diegene die hoger en belangrijker is als ikzelf. Een kloostergemeenschap is voor velen zo’n prachtige beschermende leefruimte geweest waar men door het houvast van regels en door anderen na te bootsen zich jarenlang kan handhaven. Zich handhaven door na te bootsen: dat doen dieren al, en ook wij mensen dragen het als een reflex in ons als we ergens bij willen horen. Nabootsing geeft duidelijkheid, oriëntatie en houvast, overzicht en veiligheid, status. We doen dat door mee te gaan in de mode, door onbewust ons gedrag aan te passen aan de meerderheid of aan de wil van de succesvolle leider, of door voor de veiligste weg te kiezen, de weg die bijna iedereen gaat. Gutei is zeer vertrouwd met de jongen: hij maakt hem tot zijn bediende. Hij ziet dat de jongen als uitgroeiende persoon door dit gedrag wordt bepaald en daar niet uit weg kan. Maar daardoor komt de jongen ook niet toe aan het vrij en meest- oorspronkelijk zichzelf zijn… In de ontwikkeling van de jongen die de zen-weg wil gaan doet zich dit voor als een ernstige blokkade. Wie ís hij eigenlijk? Durft hij dat te ervaren? Durft hij het houvast van de nabootsing los te laten... om zonder dat houvast op te laten komen uit het NIETS wie hijzelf is? De eerste koan van de zen- traditie legt de stichter van zen, Boddhidharma, deze startvraag van zen in de mond: “Wie/wat ben ik…?” De jongen is aan dat ervaringsniveau nog helemaal niet toegekomen. Een bezoeker aan het klooster vraagt de bediende dan naar de leer van zijn geliefde meester. Dat is in feite de vraag naar alles waar meester Gutei voor staat… en waar de jongen zich ijverig mee heeft geïdentificeerd, en dat zich symbolisch toont in het simpele gebaar van het opsteken van de éne vinger. Die identificatie is voor de jongen een bron van geluk geworden, maar ook een dwaalweg. Als de jongen dan opnieuw tot nabootsing overgaat, en Gutei dit verneemt, snijdt hij hem de vinger af. In de dynamiek en in de dramatiek van de koan wil dit zeggen: hij ontneemt de jongen elke mogelijkheid om zijn identiteit nog aan Gutei te ontlenen door die na te bootsen. Hij ontneemt de jongen ook de mogelijkheid om naar zijn meester nog op te zien alsof die op de zen- weg ooit méér zou kunnen zijn als hijzelf is. Zen is meest-oorspronkelijk ervaren, onmiddellijk en niet-bemiddeld: zen kent geen hiërarchie. Meester en leerling zijn elkaars gelijke in het éne ogenblik van verschijnen. Zij delen dezelfde éne (verschijnings)natuur met al wat is. We mogen er van uitgaan dat Gutei en de jongen zeer vertrouwd waren met elkaar: de jongen was de bediende die in het dagelijkse leven zijn meester vergezelde. Als de jongen na de verminking die Gutei aanbrengt wegloopt, is hij in het ogenblik, in het ervaren dat hem overkomt. De pijn is onontkoombaar, zijn huilen gaat door zijn hele lichaam heen. Vooraf aan de woorden en vooraf aan het denken - in het éne ogenblik dat er maar is. Buiten het ogenblik is er geen leven. Als Gutei hem dan roept en de bediende omkijkt, steekt de meester zijn vinger op. Hij herstelt daarmee - in de gedeelde presentie van dit ogenblik - de diepste band die hij met de bediende heeft – en forceert dat de jongen wegvalt uit het eerdere houvast, uit de identificatie met zijn meester. De jongen zal voortaan zijn eigen unieke weg moeten durven gaan bij het vinden van het antwoord op zijn vragen. De koan vertelt dan dat de jongen plotseling verlichting ervoer, in het ogenblik plots zicht kreeg op zijn eigen geblokkeerde grondhouding - en daaruit los viel. Doorheen de pijn realiseert zich de bevrijding die heel zijn persoon doortrekt. Hij zal nooit meer de oude zijn, wat door de koan ook fysiek wordt aangeduid: de vinger is afgesneden! Sommige commentatoren gaan er van uit dat het afsnijden van de vinger niet historisch kan zijn geweest, dat het zeker slechts symbolisch is bedoeld. Het mag niet van hen dat er in het oude China transformerend handelen bestond dat zich zozeer lichamelijk voltrekt, vaak in vreugde, hier in lijden en in pijn. Ik houd het er op dat het verhaal een stevige historische bodem heeft, ook in het zelfs fysiek aanbrengen van de verandering die de persoon van de jongen moest doormaken om op de zen-weg verder te kunnen komen. Er zijn meerdere koans waarin een verminking of wreedheid een doorbraak markeert. Door dit uit deze koan weg te verklaren laten we mogelijk ook al te gemakkelijk zien dat voor velen van ons verandering en bevrijding liefst “bedacht” moeten kunnen worden: als ik maar juist denk – dan denk ik mij vrij. Het is naar mijn mening mooi en juist dat in de koan traditie transformatie altijd héél de persoon omvat, de geest en het lichaam die de éne mens zijn, het éne ‘geestlichaam’ dat de mens is. Gutei verklaart op zijn sterfbed dat hij dit één vinger gebaar nooit heeft kunnen uitputten. Er is géén woord en er is geen handelen dat het ENE zoals zich dat altijd weer nieuw toont kan uitputten. Geest en lichaam manifesteren zich speels als VORM in het NIETS. Wijzelf zijn als bewustzijn de LEEGTE waarin we alles ontvangen wat we ook maar zijn, waarnemen of gewaarworden. De grote twijfel, die vaak de drijfveer voor de zen-ervaring wordt genoemd, mogen we ook positief verstaan als de grote verwondering, als een verblijdende nieuwsgierigheid die levenslust en vreugde geeft om wat we van ogenblik tot ogenblik zomaar precies zó zijn… Elk ogenblik nieuw. Gutei’s vinger. De derde koan in de rij van vijftig van de Mumonkan, de klassieke koan scholing. Nog helemaal aan het begin van die scholing doorbreekt een vrouw in een patriarchale cultuur de vermeende superioriteit van de man: de zen-ervaring houdt zich niet aan man- of vrouw-zijn. Er is géén hiërarchie in zen: er is slechts het unieke altijd zich vernieuwende ervaren - gekoppeld aan groeiend inzicht. Wie de zen-weg gaat moet het aandurven meest- oorspronkelijk voluit mens te zijn, zonder houvast, zonder hiërarchie, zonder te schuilen achter wie ‘groter’ is. Zonder zich in de veiligheid van voorgeschreven gedrag te verbergen, zich daarin te doden… In zen is hij die niet meer komen kan tot oorspronkelijk ervaren dood. Wie in het ogenblik is – die lééft, zelfs als hij stervende is. Waar Gutei’s vinger ons op wijst – dat is tot op heden moeilijk. De wereld zucht onder het onvermogen te leven vanuit het ENE, op de éne aarde die er maar is, en als de éne mensheid die er maar is. In de complexe veelheid - die we niet meer kunnen overzien - worden de ervaringen van het één-zijn en van de éénvoud onvindbaar. Maakt dat ons als moderne mensen niet uiterst kwetsbaar? Mensen slagen er niet in elkaar in vrede te zien als van-één-en-dezelfde-natuur, met het éne zelfde belang: het leven te laten gebeuren… het leven niet kapot te maken… Dat blijkt in onze dagen heel moeilijk te zijn. Nabootsen en meelopen is niet meer genoeg in de ogen van jongeren van wie verlangd wordt dat ze gaan (mee)doen in een wereld die zichzelf niet besturen kan… sterker nog: die zichzelf ernstig schaadt naar toekomst toe. Hiërarchie volstaat niet meer als richtinggevend model van ordening van de samenleving of als garantie voor veiligheid en moraal. Gutei’s vinger… een koan om mee op weg te gaan. Tenslotte: ik meen dat elke koan humor in zich draagt, voor wie in de vrijheid wil komen dat te zien. De wijze vrouw en haar spelen met Gutei, het allersimpelste speelse gebaartje van Tenryu dat Gutei voorgoed verandert, de bediende die zo zijn best doet, de ingreep van Gutei die je zo voor je ziet, de pijn van de wegrennende jongen en zijn ongeremde huilen, zijn omkijken en op slag tot inzicht komen, Gutei die juist voor het uitdoven van zijn leven voor de monniken nogmaals duidelijk maakt dat ook dit gebaar geen enkel houvast bieden zal… Ik denk dat er vaak een bevrijdende lach heeft geklonken in de dokusan ruimten waar meester en leerling de confrontatie met dit verhaaltje samen zijn aangegaan. Mooi. Kees van den Muijsenberg.