ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 14 - november 2020
Wie loslaat verliest niets Soms vallen dingen in de loop der jaren op. Zo werd in mijn studietijd door gelovigen en ongelovigen te pas en te onpas gesproken over de aarde als over de schepping, met de mens als de door god aangewezen heerser over de schepping. Ook werd nog gereflecteerd op de belofte van een nieuwe samenleving in de nabije toekomst, over het rijk gods of over de socialistische heilstaat, waarbij in beiden het probleem van de armoede zou worden weggewerkt, en de wereldvrede in zicht zou komen. In de colleges filosofie en theologie werd het grote onderscheid tussen de mens en de dieren nadrukkelijk uitgespeld en verduidelijkt. De kloof tussen mens en dier was enorm. De natuur werd ontgonnen als zondermeer dienstbaar aan de mens. Het idee dat de natuur in-zichzelf waarde zou hebben bestond amper en was zeker niet een leidende gedachte. De mens, de ideeën en gedachten over zijn eigen toekomst – die waren richtinggevend, met uitsluiting van andere perspectieven. Het initiatief van de mens was alles-sturend: wie durfde daaraan te twijfelen? Nu hoor ik in de milieu- en klimaatgesprekken het woord schepping niet meer. Behoud van de schepping is klimaatcontrole gaan heten. Ook van het spreken over de mens als heerser over de natuur en over de aarde - namens god - hoor ik niets meer. En wetenschappers hoor ik zonder omhaal recht toe recht aan spreken over de mens als diersoort die net zo min als alle andere diersoorten zonder een gezonde omgeving leven kan. Een hoogleraar biologische psychologie hoor ik uitleggen dat het verschil tussen de menselijke liefde en de liefde van een chimpansee moeder voor haar kind zeer gering is tegen de achtergrond van de miljarden jaren van evolutie en de verwantschap in de hormonale processen die aan de basis van het gemeenschappelijk(!) gedrag liggen. En de mens als heerser over de natuur – namens god - ligt zwaar onder kritiek vanwege de uitbuiting van de aarde die er het gevolg van is geworden. Oude beelden van mens en god volstaan niet meer. Wie de zen-traditie heeft verkend verbaast deze verschuiving in woordgebruik niet. In zen worden vaak mens en dier beschreven als van één en dezelfde natuur - de boeddha natuur - die als universeel wordt ervaren. Mens en dier zijn in de ervaring beide verschijnend in vluchtigheid van bestaan, door een lange keten van oorzaak en gevolg die wij niet kunnen analyseren of begrijpen of beheersen. Voorafgaande aan elk menselijke initiatief. De koan MU, “Heeft een hond boeddha natuur?” die wel de koan der koans wordt genoemd, maakt in één ademtocht van zenmeester Joshu duidelijk dat al wat is van één en dezelfde natuur is. Sterker: het ENE toont zich in een ogenschijnlijke veelheid als datgene wat ik ben en als al datgene dat ik maar kan waarnemen of gewaarworden. Er is géén twee, er is géén dualiteit. Gisteravond zag ik een reportage over de ijsvogel. Dit kleine vogeltje met felle kleuren ziet met beide ogen afzonderlijk en kan zo de diepte van het water inschatten in een fractie van een seconde. Helemaal in de omgeving opgenomen vliegt het, rust het op een takje boven het water en bij het zien van een prooivisje duikt het ongeremd het water in. Het hele doen en laten van dit vogeltje lijkt op het stromend en vloeiend meegaan in wat er gebeurt in het vogeltje zelf en in de directe omgeving waarin het is opgenomen, zonder naden of overgangen, zonder afstand te nemen tot dit stromende gebeuren. De ijsvogel zit altijd in de flow die het universum is en waarin het vogeltje zijn bestaan krijgt. Alles wat het vogeltje van ogenblik tot ogenblik is en doet lijkt een niet onderbroken flow te zijn in die éne universele flow van al wat is. In het complexe gebeuren dat zich te zien geeft is er géén twee, is er géén dualiteit. De ijsvogel houdt niets vast in dit éne stromende gebeuren waarin hij is opgenomen. De ene situatie gaat vloeiend over in de volgende situatie. Wat zou een vogel vast moeten houden of tegen kunnen houden in zichzelf of in zijn omgeving? Alles is opgenomen in de éne altijd voortgaande reeks van veranderingen die zich in alles laat zien. Er is niets te stabiliseren, niets terug te houden of af te scheiden voor zich of in zich. Het dier kan zich niet afscheiden van het leven om zich heen, niet van de aarde of de lucht of het water. Wat er in de omgeving gebeurt heeft direct invloed op het leven van het dier. Onmiddellijk en onbemiddeld is het dier zijn ware natuur. Het dier leeft los-gelaten en beleeft de dingen los-latend, zonder verleden dat moet blijven of toekomst die moet worden gemaakt. Het dier leeft in het ogenblik zonder verleden en zonder toekomst, in een keten van reageren. Het dier houdt niets vast. Alles vloeit. Moeilijk is het ook geworden om in onze dagen nog te spreken van de mens als hoogste diersoort. De mens heeft ongetwijfeld begaafdheden die dieren niet of in mindere mate bezitten. Maar de dieren hebben een enorme rijkdom aan mogelijkheden van gedrag, van zien en horen, van overleven… waar de mens in de verste verten niet aan kan tippen. Biologen hoor je nu open en bloot spreken over de eindigheid van de diersoort mens zoals wij die - onszelf - kennen, door evolutie of door de veranderingen op de aarde die aanstaande zijn en waar talloze diersoorten beter op zijn voorbereid. Gesproken wordt over de ‘post-human world’, over het universele gebeuren dat gewoon zal voortbestaan en zich verder ontwikkelen zal – ook als de diersoort mens er niet meer is. Hoe beschrijven zenmeesters de mens? Bijvoorbeeld Unmon (China, 13 e eeuw) en Jing Hui (China, 20 e eeuw) hebben beiden niet eens een A4-tje nodig voor hun beschrijving. Zij wijzen op twee heel basale kenmerken van de mens, wellicht de twee meest basale. De eerste is de ware natuur van de mens. De mens die die natuur niet erkent gaat dwalen in zelfoverschatting, in vervreemding van zichzelf en van de omgeving waar hij deel van is. Net zo min als de vogel of de vis kan de mens weggaan uit wat hij van nature is. De mens kan zich niet afscheiden van zijn ware natuur en die niet achterlaten. De tweede eigenschap van de mens is zijn bijna automatische denken in dichotomie, in afscheiding, in dualiteit. Er is altijd twéé: het ego wordt beleefd als afgescheiden van al het andere, zelfs van het eigen lichaam of van de eigen geest(!) als die niet voldoen aan de wensen van het denkende ego. Er is ook twéé in het tijdsbesef: mensen kunnen nog zo verstrikt zijn in het verleden dat ze het hier-en-nu niet meer kunnen vinden, dat elk nieuw ogenblik wordt overschaduwd en bezet door dat verleden… dat nog slechts een gedachte structuur is, een gebrekkige re-constructie. Er is ook twéé in het tijdsbesef van veel mensen naar de toekomst toe: mensen zijn vaak zo vol van wat er moet komen, vergetend dat ze dat komende als een dwingend idee in zich dragen. Mensen kunnen op een vernauwende manier naar zichzelf kijken zonder nog uit te komen bij wat ze in dit ene ogenblik werkelijk zíjn. Maar: er is slechts datgene wat er in dit ogenblik is… iets anders is er niet. Buiten-dit-éne-ogenblik… bèn ik er niet… realiseert zich niet het bewustzijn dat ik bèn… doe ik niet… en denk ik niet… Een mens kan vast zitten aan beelden van (een gedachte) werkelijkheid die er (nog) niet is. Dat kan door afwijzing van hetgeen er hier-en-nu is. Het kan ook door zichzelf van het hier-en-nu af te scheiden, en in die bedachte wereld te leven die er niet is. Als vlucht uit het hier-en-nu, als ontkenning of als verdringing daarvan. Mensen kunnen veel kracht ontlenen aan een belofte of een gelovig perspectief dat motiveert om er zich voor in te zetten dat het ooit zó worden zal als de belofte formuleert. Een fundamentalist word ik als ik die beloofde inhouden niet kan los-laten in veranderende omstandigheden, in een veranderende tijd die om nieuwe beloften vraagt, om nieuwe perspectieven. Ik wordt dan in de greep gehouden door een wereld die er niet is, in de greep van wat ik meen dat er moet komen. Ben ik dan nog vrij…? In de maatschappij zien wij vele krachten aan het werk die diep ingrijpen in het denken en leven van mensen. Zozeer dat we ons kunnen afvragen of mensen en de mensheid nog wel zichzelf aansturen in de keuzes die gemaakt worden. Een belofte die moet uitkomen voor een bepaalde groep mensen werkt vaak als een afscheiding van mensen die worden achtergelaten, die niet passen in die belofte, die niet zijn opgenomen en meegenomen in het nieuwe perspectief, of daarvoor zelfs in de weg staan. Wellicht is de klimaatverandering zo’n verandering die ons allen wereldwijd zozeer raakt dat groepen in hun gewenste toekomstperspectieven en belangen tegenover elkaar komen te staan. Een arme die vraagt om voedsel zal er anders in staan als een rijke die nooit gebrek heeft gekend en die leeft in de destructieve overvloed van het veel te veel. Wie aan een mens zijn (gedroomde) wereld komt – die kan wat verwachten aan agressie, strijd en verwijt, aan verdriet. De grootste uitdaging wordt wellicht het staan van jongeren tegenover ouderen doordat het (tot op heden dwingende) antwoord van de ouderen voor de jongeren niet meer volstaat. Wie los-laat verliest niets. Wie denkbeelden en verwachtingen losjes durft te beleven, en eerst en vooral helder wil zien wat er hier-en-nu gaande is, die verliest niets. Zelfs is het zo dat ik méér ga zien en breder om mij heen kan kijken als ik in het ogenblik ben dat zich uit zichzelf voortdurend vernieuwt. Wie thuis is in het ogenblik slaat zichzelf en de ander niet over bij het laten opkomen van gedachten aan de toekomst. Ideeën die het hier-en-nu overschaduwen en in het donker stellen, die kunnen mijn helder en ópen zien vernauwen en zelfs verblinden. Oude meesters als Unmon en Jing Hui wisten en zagen dit. In de koan-scholing leerden zij hun leerlingen om eerst en vooral in het ogenblik te komen, om te zien wat nu realiteit is. Zij leerden dat een belofte of een bedachte toekomst ook realiteit is – maar niet méér als een vluchtige gedachte. Laat ik die gedachte los, dan verlies ik niets van het hier-en-nu: alles is er nog zoals het zich in dit ogenblik toont. Wie los-laat verliest niets. Wie los-laat kan beter mee in de verandering die gaande is. Niet-gehinderd door een gedacht verleden of een gedachte toekomst die er hier-en-nu niet zijn, tenzij in gedachte. Wie los-laat verliest niets. Wij leven in een tijd waarin er veel dreigingen zijn. Dreigingen van de natuur die in de knel komt, van onze ware natuur die in de knel komt. Dreigingen door de botsing van tekort hier met overvloed daar. Dreiging van ziekte, van pandemie. Dreiging dat beleefde of gedroomde welvaart niet kan voortbestaan. We leven in een tijd waarin feiten worden ontkend, waarin het hier-en-nu wordt ontkend vanuit particuliere belangen van deelgroepen in de (mondiale) samenleving. Wie los-laat verliest niets. Het mooiste leven dat ik ken is het leven dat thuis is in het hier- en-nu. Het leven dat in acceptatie van wat er hier is - nu tot vrede komt. Er is geen ander thuis als dít ogenblik waarin ik mijzelf ontvang, geen ander moment om te komen tot acceptatie, geen andere tijd voor het laten opkomen van vrede. Wie dat overslaat dwaalt, wat hij ook bedenkt voor zichzelf of voor anderen. Wie los-laat verliest niets: alles ís er nog… er is niets anders…. Kom tot vrede en eenheid in dit hier-en-nu, in het leven zoals het nu ís. Dat daaruit de toekomst mag voortkomen, de mooiste die we samen maar zouden kunnen bedenken, voor iedereen. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 14 - november 2020
Wie loslaat verliest niets Soms vallen dingen in de loop der jaren op. Zo werd in mijn studietijd door gelovigen en ongelovigen te pas en te onpas gesproken over de aarde als over de schepping, met de mens als de door god aangewezen heerser over de schepping. Ook werd nog gereflecteerd op de belofte van een nieuwe samenleving in de nabije toekomst, over het rijk gods of over de socialistische heilstaat, waarbij in beiden het probleem van de armoede zou worden weggewerkt, en de wereldvrede in zicht zou komen. In de colleges filosofie en theologie werd het grote onderscheid tussen de mens en de dieren nadrukkelijk uitgespeld en verduidelijkt. De kloof tussen mens en dier was enorm. De natuur werd ontgonnen als zondermeer dienstbaar aan de mens. Het idee dat de natuur in-zichzelf waarde zou hebben bestond amper en was zeker niet een leidende gedachte. De mens, de ideeën en gedachten over zijn eigen toekomst – die waren richtinggevend, met uitsluiting van andere perspectieven. Het initiatief van de mens was alles- sturend: wie durfde daaraan te twijfelen? Nu hoor ik in de milieu- en klimaatgesprekken het woord schepping niet meer. Behoud van de schepping is klimaatcontrole gaan heten. Ook van het spreken over de mens als heerser over de natuur en over de aarde - namens god - hoor ik niets meer. En wetenschappers hoor ik zonder omhaal recht toe recht aan spreken over de mens als diersoort die net zo min als alle andere diersoorten zonder een gezonde omgeving leven kan. Een hoogleraar biologische psychologie hoor ik uitleggen dat het verschil tussen de menselijke liefde en de liefde van een chimpansee moeder voor haar kind zeer gering is tegen de achtergrond van de miljarden jaren van evolutie en de verwantschap in de hormonale processen die aan de basis van het gemeenschappelijk(!) gedrag liggen. En de mens als heerser over de natuur – namens god - ligt zwaar onder kritiek vanwege de uitbuiting van de aarde die er het gevolg van is geworden. Oude beelden van mens en god volstaan niet meer. Wie de zen-traditie heeft verkend verbaast deze verschuiving in woordgebruik niet. In zen worden vaak mens en dier beschreven als van één en dezelfde natuur - de boeddha natuur - die als universeel wordt ervaren. Mens en dier zijn in de ervaring beide verschijnend in vluchtigheid van bestaan, door een lange keten van oorzaak en gevolg die wij niet kunnen analyseren of begrijpen of beheersen. Voorafgaande aan elk menselijke initiatief. De koan MU, “Heeft een hond boeddha natuur?” die wel de koan der koans wordt genoemd, maakt in één ademtocht van zenmeester Joshu duidelijk dat al wat is van één en dezelfde natuur is. Sterker: het ENE toont zich in een ogenschijnlijke veelheid als datgene wat ik ben en als al datgene dat ik maar kan waarnemen of gewaarworden. Er is géén twee, er is géén dualiteit. Gisteravond zag ik een reportage over de ijsvogel. Dit kleine vogeltje met felle kleuren ziet met beide ogen afzonderlijk en kan zo de diepte van het water inschatten in een fractie van een seconde. Helemaal in de omgeving opgenomen vliegt het, rust het op een takje boven het water en bij het zien van een prooivisje duikt het ongeremd het water in. Het hele doen en laten van dit vogeltje lijkt op het stromend en vloeiend meegaan in wat er gebeurt in het vogeltje zelf en in de directe omgeving waarin het is opgenomen, zonder naden of overgangen, zonder afstand te nemen tot dit stromende gebeuren. De ijsvogel zit altijd in de flow die het universum is en waarin het vogeltje zijn bestaan krijgt. Alles wat het vogeltje van ogenblik tot ogenblik is en doet lijkt een niet onderbroken flow te zijn in die éne universele flow van al wat is. In het complexe gebeuren dat zich te zien geeft is er géén twee, is er géén dualiteit. De ijsvogel houdt niets vast in dit éne stromende gebeuren waarin hij is opgenomen. De ene situatie gaat vloeiend over in de volgende situatie. Wat zou een vogel vast moeten houden of tegen kunnen houden in zichzelf of in zijn omgeving? Alles is opgenomen in de éne altijd voortgaande reeks van veranderingen die zich in alles laat zien. Er is niets te stabiliseren, niets terug te houden of af te scheiden voor zich of in zich. Het dier kan zich niet afscheiden van het leven om zich heen, niet van de aarde of de lucht of het water. Wat er in de omgeving gebeurt heeft direct invloed op het leven van het dier. Onmiddellijk en onbemiddeld is het dier zijn ware natuur. Het dier leeft los-gelaten en beleeft de dingen los-latend, zonder verleden dat moet blijven of toekomst die moet worden gemaakt. Het dier leeft in het ogenblik zonder verleden en zonder toekomst, in een keten van reageren. Het dier houdt niets vast. Alles vloeit. Moeilijk is het ook geworden om in onze dagen nog te spreken van de mens als hoogste diersoort. De mens heeft ongetwijfeld begaafdheden die dieren niet of in mindere mate bezitten. Maar de dieren hebben een enorme rijkdom aan mogelijkheden van gedrag, van zien en horen, van overleven… waar de mens in de verste verten niet aan kan tippen. Biologen hoor je nu open en bloot spreken over de eindigheid van de diersoort mens zoals wij die - onszelf - kennen, door evolutie of door de veranderingen op de aarde die aanstaande zijn en waar talloze diersoorten beter op zijn voorbereid. Gesproken wordt over de ‘post-human world’, over het universele gebeuren dat gewoon zal voortbestaan en zich verder ontwikkelen zal – ook als de diersoort mens er niet meer is. Hoe beschrijven zenmeesters de mens? Bijvoorbeeld Unmon (China, 13 e eeuw) en Jing Hui (China, 20 e eeuw) hebben beiden niet eens een A4-tje nodig voor hun beschrijving. Zij wijzen op twee heel basale kenmerken van de mens, wellicht de twee meest basale. De eerste is de ware natuur van de mens. De mens die die natuur niet erkent gaat dwalen in zelfoverschatting, in vervreemding van zichzelf en van de omgeving waar hij deel van is. Net zo min als de vogel of de vis kan de mens weggaan uit wat hij van nature is. De mens kan zich niet afscheiden van zijn ware natuur en die niet achterlaten. De tweede eigenschap van de mens is zijn bijna automatische denken in dichotomie, in afscheiding, in dualiteit. Er is altijd twéé: het ego wordt beleefd als afgescheiden van al het andere, zelfs van het eigen lichaam of van de eigen geest(!) als die niet voldoen aan de wensen van het denkende ego. Er is ook twéé in het tijdsbesef: mensen kunnen nog zo verstrikt zijn in het verleden dat ze het hier-en-nu niet meer kunnen vinden, dat elk nieuw ogenblik wordt overschaduwd en bezet door dat verleden… dat nog slechts een gedachte structuur is, een gebrekkige re-constructie. Er is ook twéé in het tijdsbesef van veel mensen naar de toekomst toe: mensen zijn vaak zo vol van wat er moet komen, vergetend dat ze dat komende als een dwingend idee in zich dragen. Mensen kunnen op een vernauwende manier naar zichzelf kijken zonder nog uit te komen bij wat ze in dit ene ogenblik werkelijk zíjn. Maar: er is slechts datgene wat er in dit ogenblik is… iets anders is er niet. Buiten- dit-éne-ogenblik… bèn ik er niet… realiseert zich niet het bewustzijn dat ik bèn… doe ik niet… en denk ik niet… Een mens kan vast zitten aan beelden van (een gedachte) werkelijkheid die er (nog) niet is. Dat kan door afwijzing van hetgeen er hier-en-nu is. Het kan ook door zichzelf van het hier-en-nu af te scheiden, en in die bedachte wereld te leven die er niet is. Als vlucht uit het hier-en-nu, als ontkenning of als verdringing daarvan. Mensen kunnen veel kracht ontlenen aan een belofte of een gelovig perspectief dat motiveert om er zich voor in te zetten dat het ooit zó worden zal als de belofte formuleert. Een fundamentalist word ik als ik die beloofde inhouden niet kan los-laten in veranderende omstandigheden, in een veranderende tijd die om nieuwe beloften vraagt, om nieuwe perspectieven. Ik wordt dan in de greep gehouden door een wereld die er niet is, in de greep van wat ik meen dat er moet komen. Ben ik dan nog vrij…? In de maatschappij zien wij vele krachten aan het werk die diep ingrijpen in het denken en leven van mensen. Zozeer dat we ons kunnen afvragen of mensen en de mensheid nog wel zichzelf aansturen in de keuzes die gemaakt worden. Een belofte die moet uitkomen voor een bepaalde groep mensen werkt vaak als een afscheiding van mensen die worden achtergelaten, die niet passen in die belofte, die niet zijn opgenomen en meegenomen in het nieuwe perspectief, of daarvoor zelfs in de weg staan. Wellicht is de klimaatverandering zo’n verandering die ons allen wereldwijd zozeer raakt dat groepen in hun gewenste toekomstperspectieven en belangen tegenover elkaar komen te staan. Een arme die vraagt om voedsel zal er anders in staan als een rijke die nooit gebrek heeft gekend en die leeft in de destructieve overvloed van het veel te veel. Wie aan een mens zijn (gedroomde) wereld komt – die kan wat verwachten aan agressie, strijd en verwijt, aan verdriet. De grootste uitdaging wordt wellicht het staan van jongeren tegenover ouderen doordat het (tot op heden dwingende) antwoord van de ouderen voor de jongeren niet meer volstaat. Wie los-laat verliest niets. Wie denkbeelden en verwachtingen losjes durft te beleven, en eerst en vooral helder wil zien wat er hier-en-nu gaande is, die verliest niets. Zelfs is het zo dat ik méér ga zien en breder om mij heen kan kijken als ik in het ogenblik ben dat zich uit zichzelf voortdurend vernieuwt. Wie thuis is in het ogenblik slaat zichzelf en de ander niet over bij het laten opkomen van gedachten aan de toekomst. Ideeën die het hier-en-nu overschaduwen en in het donker stellen, die kunnen mijn helder en ópen zien vernauwen en zelfs verblinden. Oude meesters als Unmon en Jing Hui wisten en zagen dit. In de koan-scholing leerden zij hun leerlingen om eerst en vooral in het ogenblik te komen, om te zien wat nu realiteit is. Zij leerden dat een belofte of een bedachte toekomst ook realiteit is – maar niet méér als een vluchtige gedachte. Laat ik die gedachte los, dan verlies ik niets van het hier-en-nu: alles is er nog zoals het zich in dit ogenblik toont. Wie los-laat verliest niets. Wie los-laat kan beter mee in de verandering die gaande is. Niet- gehinderd door een gedacht verleden of een gedachte toekomst die er hier-en-nu niet zijn, tenzij in gedachte. Wie los-laat verliest niets. Wij leven in een tijd waarin er veel dreigingen zijn. Dreigingen van de natuur die in de knel komt, van onze ware natuur die in de knel komt. Dreigingen door de botsing van tekort hier met overvloed daar. Dreiging van ziekte, van pandemie. Dreiging dat beleefde of gedroomde welvaart niet kan voortbestaan. We leven in een tijd waarin feiten worden ontkend, waarin het hier-en- nu wordt ontkend vanuit particuliere belangen van deelgroepen in de (mondiale) samenleving. Wie los-laat verliest niets. Het mooiste leven dat ik ken is het leven dat thuis is in het hier-en-nu. Het leven dat in acceptatie van wat er hier is - nu tot vrede komt. Er is geen ander thuis als dít ogenblik waarin ik mijzelf ontvang, geen ander moment om te komen tot acceptatie, geen andere tijd voor het laten opkomen van vrede. Wie dat overslaat dwaalt, wat hij ook bedenkt voor zichzelf of voor anderen. Wie los-laat verliest niets: alles ís er nog… er is niets anders…. Kom tot vrede en eenheid in dit hier-en-nu, in het leven zoals het nu ís. Dat daaruit de toekomst mag voortkomen, de mooiste die we samen maar zouden kunnen bedenken, voor iedereen. Kees van den Muijsenberg.