ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 13 - september 2020
De man die het water wilde grijpen Het kan gebeuren dat je in je jeugd iets meemaakt wat jarenlang sluimert en dan er zomaar onontkoombaar weer is. Meer nog: iets wat lang geleden is gebeurd kan je zomaar ineens iets duidelijk maken in het heden. Dat overkwam mij onlangs tijdens een fietstocht. Plots viel het zinnetje ‘de man die het water wilde grijpen’ mij in bij het terugdenken aan een man die méér is als een gewone jeugdvriend. Het leven door bezoek ik hem en zijn gezin regelmatig. Een gezamenlijke herinnering schoot mij als een verhelderend beeld tijdens het fietsen plots te binnen. Om zijn naam niet te hoeven noemen – dat wil hij niet - spreek ik maar over ‘Jan’. Jan heeft intussen veel dingen meegemaakt in zijn leven die hij eerder niet voor mogelijk had gehouden. Daar hebben we het wel eens over en we kunnen er nu om lachen. Als kinderen gingen wij vaak zwemmen in het nabijgelegen recreatie bad. Daar was goed toezicht en vele ouders in onze regio gaven hun kinderen een abonnement. Je kon dan de hele zomer terecht. Wij gingen het liefst in het diepe gedeelte waar we niet konden staan, een uitdaging hielden we onszelf en elkaar voor. De truc was het om bij een hoek van het bad van de ene (hoek)kant in het water te duiken of te springen in de richting van de andere (hoek)kant: je bereikte dan altijd wel weer vaste wal. Maar bij Jan ging het een keer goed mis. Hij kon niet zwemmen, was angstig, maar deed toch heel graag met de anderen mee. Die keer lukte het hem niet om de andere oever te bereiken. Het schrikbeeld daarvan staat mij nog voor ogen. Een jongen die niet kan zwemmen, in paniek raakt, wild met zijn armen en handen grijpt en duwende bewegingen maakt in het niet te grijpen water. De onrust die hem overviel maakte het nog erger. Proestend ging hij onder, kwam een paar keer boven, en slaakte een kreet om hulp. Dat was meer dan genoeg om hem even later angstig en min of meer ‘in shock’ op de kant te zien staan, huilend en boos op alle anderen die - deels ook van de spanning en de schrik – lachend en trillend om hem heen stonden. Dat is het tafereel van Jan die in het water sprong en elke mogelijkheid verloor om zich ook maar ergens aan vast te kunnen houden, ergens op te kunnen steunen of zich ergens van af te kunnen duwen naar boven of naar opzij. Jan had niet leren zwemmen en wilde dat ook niet: hij hield niet van het water, had er een bloedhekel aan, ook al deed hij aan het spelen in het water mee. Jan had ook niet leren drijven. Dan had hij zich misschien met minimale inspanning door het water kunnen laten dragen, losjes en vrij, en met de mogelijkheid rustig om zich heen te zien. Juist het gegeven dat hij in angst om zich heen ging grijpen en om zich heen ging slaan, bracht hem in gevaar in het ongrijpbare onbeheersbare water dat hem volledig omgaf en waar hij niet uit kon! ‘De man die het water wilde grijpen’. Ik vind het een prachtige metafoor voor iemand die de zen-weg gaat. Het water is dan het zich realiserende bewustzijn dat wij zelf zijn, van ogenblik tot ogenblik. Maar dat verliezen we gewoonlijk uit het oog: in het alledaagse leven bewegen we onszelf in zekerheden. We menen ons bestaan en ons denken, ons bewuste leven, in de greep te hebben. Dat hebben we ook nodig, die illusoire greep. We moeten immers wel lineair denken, afspraken en plannen maken, leren van gisteren om het morgen beter te hebben. We moeten van elkaar op aan kunnen, en daar zeker van zijn. We moeten met vertrouwen in het leven kunnen staan, wil het leven ons niet onzeker maken en ons gaan belasten. En als iets niet zeker is voor de toekomst, dan moeten we een taal spreken die ons toch die benodigde zekerheden voor ogen stelt. Dan kunnen we ergens in geloven – we kunnen dan tenminste ergens naar toe werken en leven! Je leven heeft dan in ieder geval een duidelijk doel: je weet waarheen het gaan zal… Maar we vergeten vaak dat het leven meer is als een reeks gebeurtenissen die we zelf in de hand hebben en sturen. We kunnen jarenlang in zekerheden leven en menen dat we onze plannen van zelfsprekend kunnen uitvoeren zoals we dat zelf willen. “Als je het wil – dan kún je het!” is het refrein. Totdat we onherroepelijk zullen ervaren dat er heel veel gebeurt dat we helemaal niet in de hand hebben. Dat is immers van dag tot dag het nieuws: de onderbreking – het niet uitkomen - van onze verwachtingen en plannen. Totdat de vaste grond van onze zekerheden onder onze voeten wordt weggeslagen, geleidelijk bij fragmenten of plots met een schok. Dat kan zijn bij ziekte: we ervaren dan dat we het lichaam dat we zijn en de geest die we zijn juist niet in de hand hebben. We draaien dan wel aan het stuurwiel van ons leven, maar onze geest en ons lichaam gaan een eigen weg… Zo kunnen we gemakkelijk stoten op de beperktheid van onze eigen persoon: we kunnen iets juist niet… Niet als individu, niet als groep of zelfs niet als land! Bij verlies of tegenslag komt de vraag op naar de waarde van ons leven. Bij teleurstelling komt de vraag op waar het allemaal toe dient… En vaak komen levensbeschouwelijke vragen naar boven: waarom, waartoe, waar vandaan is het dat mij dit overkomt, dat mijn leven zo loopt? Waar gaat het heen? Ons alledaagse bewustzijn – de vaste oever - met zijn zekerheden blijkt dan (veel) minder zeker als we tot dan toe dachten. We zijn van de vaste grond afgevallen - het losse water in. Dat te ontdekken kan een harde dreun zijn, een schrik. In de taal van de metafoor van ‘de man die het water wilde grijpen’ vallen we dan in het water zonder dat daar onze eigen kracht en ons eigen weten nog houvast bieden, terwijl we er niet uit kunnen. Radeloos kun je jezelf voelen als het oude vaste er niet meer is. Juist datgene wat ik in de mij vertrouwde en ingesleten reflex wil grijpen – ís niet meer te grijpen. Minstens zal ik dan met hulp van mijn omgeving mijn zekere weten moeten bijstellen, mijn eigenmacht moeten relativeren, het vertrouwen in mijzelf en in anderen moeten aanpassen om verder te kunnen in het leven van alledag. Mijn idee over wat ik ben en over wat ik kan flink bijstellen. “Nu geloof ik er weer in”, horen we soms mensen zeggen die een tegenslag te boven zijn gekomen. Mensen gaan dan vaak weer verder met een nieuw set aan zekerheden, niet meer precies die van vroeger maar een beetje bijgesteld. Dat is vaak al genoeg, voorlopig althans. ‘De man die het water wilde grijpen’ nadat hij in het water was gesprongen zou je kunnen vergelijken met de man die de bodemloze stilte in gaat, de leegte waarin er niets méér is als ikzelf… die daar zit… en waar ik niet uit weg kan. De vormeloze ruimte die ikzelf ben en waarin zomaar opkomt wat ik zelf ben. Daar ontdekt hij mogelijk in het stille zitten dat alles in zijn lichaam en in zijn geest zich zomaar beweegt. De hartslag in een eindeloze reeks, de gedachten in een altijd voortgaande stroom, de adem als het éne bewegen van het éne lichaam-en-geest dat ik ben in deze omgeving waarmee ik één ben en waar ik niet uit weg kan. Alles wat ik ook maar zijn, waarnemen of gewaarworden kan, is er al vóórdat ik ook maar iets eigenmachtig maak of beheers. ‘Ik zit’, en – zo zei Dogen - ‘Dit (zitten) is HÈT.’ Ik ken de oorsprong niet van mijn denken en ken de oorsprong niet van mijn handelen - omdat ik niet de oorsprong ken van het alles dragende bewustzijn dat ik bèn. Het water waarin Jan sprong is voor degene die de ruimte van de stilte ingaat wellicht dat bewustzijn: ontdekken dat ikzelf niet meer en niet minder ben als DIT unieke éne bewustzijnsmoment… dat zich in dit ogenblik realiseert als wat ik ben… zomaar, om niet…, nergens vandaan voor zover ik weet… Uit het NIETS. Dit meest basale dat ik bén - dit éne unieke bewustzijnsmoment - is LEEG van zichzelf: het zich steeds vernieuwende doet er zich voor zonder dat ik het zelf maak. Mijn afkomst en mijn verleden komen het bewustzijn dat ik ben zomaar te binnen als een veranderlijke voorstelling. Hoe ànders kijk ik om naar mijzelf als kind, of als volwassene, of als oudere? Ook mijn bestemming - zoals ik die in gedachten heb - komt zomaar in mij op als een idee, een veranderlijk concept… waarbij oude ideeën over mijn bestemming vaak niet zijn uitgekomen. “Als ik vroeger toch had geweten wat ik nu weet!”, kunnen mensen lachend zeggen bij het overzien van hun leven. De (ook nog maar beginnende) ervaring dat mijn menszijn is als een zomaar zich realiserend bewustzijnsmoment waarin er geen enkel houvast is, die ervaring kan angst inboezemen. De angst dat ik niet (meer zeker) weet waar mijn leven heengaat. De droevenis dat oude concepten die mij houvast en richting gaven verdampen. Het gevoel dat vroegere zekerheden gaan vervloeien, dat geloofswaarheden hun vastheid verliezen. De ervaring kan zich voordoen dat vermeende verdiensten uit het verleden geen houvast bieden voor mijn toekomst. Eenmaal in het water gesprongen blijkt alles in mij en om mij heen los te zijn geworden, vloeiend, veranderlijk, opkomend en opgaande in het nieuw verschijnende. Maar er is ook een positieve kant. Eenmaal de stilte ingegaan waarin het alledaagse leven stilvalt en waarin het alledaagse spreken tot zwijgen komt… daar kan ik het leren om te drijven in het water, leren om los-latend méé te gaan in het stromen en golven dat ikzelf ben. Zoals ik mij in het water moeiteloos kan laten drijven zonder het water dat mij draagt te willen grijpen – zo kan ik mij in de stilte, in het niet-doen (wu-wei), in het niet- spreken en zelfs in het niet-denken… laten mee-gaan in het stromen zonder begin en zonder einde dat ikzelf bèn. Terwijl ik alledaags doe, spreek, en denk… toch lós… zonder er een houvast van te maken en zonder er een zekerheid in te zoeken… lós… Het staan op de oever is dan niet langer de énige werkelijkheid. De grond onder mijn voeten van het alledaagse leven : daar moet ik op blijven lopen, op blijven werken. Maar ‘de man die het water wilde grijpen’ kan de ervaring hebben opgedaan om ook op de vaste oever van zijn alledaagse leven niet meer te willen grijpen. Hij kan geleerd hebben niet meer naar zekerheden te willen zoeken. Hij kan losheid en beweeglijkheid, vrijheid en rust, veranderlijkheid zonder houvast méénemen in dat alledaagse ervaren. Hij kan de aard van het menselijke bestaan tot zich toelaten. De traditie noemt dit: “hij kwam tot inzicht.” Aan de angst het houvast te verliezen voorbij, sinds hij ervaren heeft dat er geen houvast is. Dat – zoals de Hartsoetra het prachtig uitdrukt - heel zijn persoon en alles wat hij ziet, hoort, voelt, smaakt of ruikt, dat alles wat hij wil of bedenkt… er zomaar ís… vóóraf aan elke zwemslag die hij maken wil, vóóraf aan elk grijpen waartoe hij neigt. Oefening baart kunst. Terug naar ‘Jan’. De sprong in het water heeft hij nooit durven maken. Het leven door heeft Jan vaste grond onder de voeten gezocht door op de oever te blijven. Die vaste oever is herhaaldelijk onder zijn voeten weggezakt. Jan kan boos worden op zichzelf en op anderen dat het zo is gelopen. We lachen er nu samen om dat het zo is gebeurd. We hadden het nooit kunnen bedenken dat het één na het ander zo zou gebeuren, in de mooie dingen van het leven, en in de minder mooie dingen van het leven. Het alledaagse leven in zijn talloze varianten maakt hem vaak onrustig: wat is er al niet veranderd in die vele jaren van leven? Wanneer houden de rampen en spanningen eens een keertje op? Ze moeten eens…, dan zal het beter gaan! De oefening precies DIT te zijn in de ópen beperktheid van dit hier-en-nu is wellicht moeilijk, maar zeer de moeite waard. Niet primair te rekenen en zeker te stellen, maar durven ervaren dat alles veranderlijk is en vluchtig. In het water springen. Leren dat het verleden zoals dat er in mijn gedachten is… of de toekomst zoals die mijn gedachten te binnen komt… nergens anders verschijnen als precies in DIT ogenblik dat ikzelf ben. Wat ben ik méér als dít unieke éne bewustzijnsmoment waarin al wat ik ben, waarneem of gewaarword zich realiseert uit het ongekende, uit het NIETS? Wat ben ik méér als hetgeen ik in precies DIT éne unieke ogenblik ben? Waarbij dit alles LEEG is van zichzelf omdat het is opgekomen uit het NIETS en weldra zal vervloeien in wat nieuw opkomt uit het NIETS, uit het ik-weet-niet-waar-vandaan–of waarheen? Zen in het alledaagse leven. Zen kun je wellicht ook duiden als een diepgaand openstaan voor wat zich zomaar voordoet in het leven dat ikzelf bèn maar niet zelf maak. Leven in verwondering over wat zich almaar voordoet in het bewustzijn dat ik bèn en dat zich realiseert uit het NIETS. De stilte steeds weer ingaan, zonder einde. In het water durven springen om te leren drijven. Het alledaagse leven is zo indrukwekkend dat het mij vaak in de greep neemt en mee sleurt met zichzelf. Dan juist… durven drijven, dan juist durven ervaren dat vastheid schijn is, dat zekerheid een gedachte is, dat eigenmacht een vergissing is. Een losse mens worden, die de zen-weg gaat in het alledaagse leven. De metafoor van ‘de man die het water wilde grijpen’ kan mijn grondhouding vrij en los maken zodra ik tot mij toelaat dat er niets te grijpen valt, dat alles – ja ALLES – gedragen wordt door veranderlijkheid. Dat alles LEEG is van zichzelf: het is er zó… en ooit zal het er zó niet meer zijn… gedragen door dat éne vloeien zonder begin en zonder einde dat ikzelf ben. Gedragen door het ENE dat ikzelf ben. Iets anders ken ik niet. Iets anders is er niet in de ópen beperktheid van dit hier-en-nu. In dit unieke ogenblik waarin het bewustzijn dat ik ben verschijnt. Wonderlijk mooi, bron van dank dát ik er zomaar ben… In de zen-traditie komt het vaak voor dat een meester zich op basis van zijn levenservaring bijzonder aangesproken voelt door een metafoor die voor hem het leven verheldert. Die metafoor is dan als een bril die inzicht geeft in de aard van het bestaan, in alles wat alledaags gebeurt. Die metafoor komt dan vaak terug in de koans die zo’n meester aanbiedt aan zijn leerlingen. Bijvoorbeeld Gutei die steeds met één simpel gebaar – het opsteken van een vinger - verwees naar het ENE dat er maar is. Bijvoorbeeld Jaeger die steeds herhaalde “de oceaan is elke golf.” Bijvoorbeeld meester En van Tozan die aan mensen op het kruispunt van hun leven vroeg: “Wie is die ENE?” Wellicht is het is voor eenieder die de zen-weg gaat de moeite waard om vanuit de eigen levenservaring open te staan voor een metafoor (of een koan) van die kracht. Welke dat is zal de zen-weg die we gaan uit zichzelf tonen. Om eindeloos in los-heid te groeien. En met veel humor iedere keer weer tot (vooral) jezelf te blijven zeggen: “Sukkel die ik ben… toch weer… de man die het water wilde grijpen…!” Dat blijft. Kees van den Muijsenberg.
Zend   o   Sengtsjan
Zend o Sengtsjan
ZEN IN HET ALLEDAAGSE LEVEN
Zen-brief 13 - september 2020
De man die het water wilde grijpen Het kan gebeuren dat je in je jeugd iets meemaakt wat jarenlang sluimert en dan er zomaar onontkoombaar weer is. Meer nog: iets wat lang geleden is gebeurd kan je zomaar ineens iets duidelijk maken in het heden. Dat overkwam mij onlangs tijdens een fietstocht. Plots viel het zinnetje ‘de man die het water wilde grijpen’ mij in bij het terugdenken aan een man die méér is als een gewone jeugdvriend. Het leven door bezoek ik hem en zijn gezin regelmatig. Een gezamenlijke herinnering schoot mij als een verhelderend beeld tijdens het fietsen plots te binnen. Om zijn naam niet te hoeven noemen – dat wil hij niet - spreek ik maar over ‘Jan’. Jan heeft intussen veel dingen meegemaakt in zijn leven die hij eerder niet voor mogelijk had gehouden. Daar hebben we het wel eens over en we kunnen er nu om lachen. Als kinderen gingen wij vaak zwemmen in het nabijgelegen recreatie bad. Daar was goed toezicht en vele ouders in onze regio gaven hun kinderen een abonnement. Je kon dan de hele zomer terecht. Wij gingen het liefst in het diepe gedeelte waar we niet konden staan, een uitdaging hielden we onszelf en elkaar voor. De truc was het om bij een hoek van het bad van de ene (hoek)kant in het water te duiken of te springen in de richting van de andere (hoek)kant: je bereikte dan altijd wel weer vaste wal. Maar bij Jan ging het een keer goed mis. Hij kon niet zwemmen, was angstig, maar deed toch heel graag met de anderen mee. Die keer lukte het hem niet om de andere oever te bereiken. Het schrikbeeld daarvan staat mij nog voor ogen. Een jongen die niet kan zwemmen, in paniek raakt, wild met zijn armen en handen grijpt en duwende bewegingen maakt in het niet te grijpen water. De onrust die hem overviel maakte het nog erger. Proestend ging hij onder, kwam een paar keer boven, en slaakte een kreet om hulp. Dat was meer dan genoeg om hem even later angstig en min of meer ‘in shock’ op de kant te zien staan, huilend en boos op alle anderen die - deels ook van de spanning en de schrik – lachend en trillend om hem heen stonden. Dat is het tafereel van Jan die in het water sprong en elke mogelijkheid verloor om zich ook maar ergens aan vast te kunnen houden, ergens op te kunnen steunen of zich ergens van af te kunnen duwen naar boven of naar opzij. Jan had niet leren zwemmen en wilde dat ook niet: hij hield niet van het water, had er een bloedhekel aan, ook al deed hij aan het spelen in het water mee. Jan had ook niet leren drijven. Dan had hij zich misschien met minimale inspanning door het water kunnen laten dragen, losjes en vrij, en met de mogelijkheid rustig om zich heen te zien. Juist het gegeven dat hij in angst om zich heen ging grijpen en om zich heen ging slaan, bracht hem in gevaar in het ongrijpbare onbeheersbare water dat hem volledig omgaf en waar hij niet uit kon! ‘De man die het water wilde grijpen’. Ik vind het een prachtige metafoor voor iemand die de zen-weg gaat. Het water is dan het zich realiserende bewustzijn dat wij zelf zijn, van ogenblik tot ogenblik. Maar dat verliezen we gewoonlijk uit het oog: in het alledaagse leven bewegen we onszelf in zekerheden. We menen ons bestaan en ons denken, ons bewuste leven, in de greep te hebben. Dat hebben we ook nodig, die illusoire greep. We moeten immers wel lineair denken, afspraken en plannen maken, leren van gisteren om het morgen beter te hebben. We moeten van elkaar op aan kunnen, en daar zeker van zijn. We moeten met vertrouwen in het leven kunnen staan, wil het leven ons niet onzeker maken en ons gaan belasten. En als iets niet zeker is voor de toekomst, dan moeten we een taal spreken die ons toch die benodigde zekerheden voor ogen stelt. Dan kunnen we ergens in geloven – we kunnen dan tenminste ergens naar toe werken en leven! Je leven heeft dan in ieder geval een duidelijk doel: je weet waarheen het gaan zal… Maar we vergeten vaak dat het leven meer is als een reeks gebeurtenissen die we zelf in de hand hebben en sturen. We kunnen jarenlang in zekerheden leven en menen dat we onze plannen van zelfsprekend kunnen uitvoeren zoals we dat zelf willen. “Als je het wil – dan kún je het!” is het refrein. Totdat we onherroepelijk zullen ervaren dat er heel veel gebeurt dat we helemaal niet in de hand hebben. Dat is immers van dag tot dag het nieuws: de onderbreking – het niet uitkomen - van onze verwachtingen en plannen. Totdat de vaste grond van onze zekerheden onder onze voeten wordt weggeslagen, geleidelijk bij fragmenten of plots met een schok. Dat kan zijn bij ziekte: we ervaren dan dat we het lichaam dat we zijn en de geest die we zijn juist niet in de hand hebben. We draaien dan wel aan het stuurwiel van ons leven, maar onze geest en ons lichaam gaan een eigen weg… Zo kunnen we gemakkelijk stoten op de beperktheid van onze eigen persoon: we kunnen iets juist niet… Niet als individu, niet als groep of zelfs niet als land! Bij verlies of tegenslag komt de vraag op naar de waarde van ons leven. Bij teleurstelling komt de vraag op waar het allemaal toe dient… En vaak komen levensbeschouwelijke vragen naar boven: waarom, waartoe, waar vandaan is het dat mij dit overkomt, dat mijn leven zo loopt? Waar gaat het heen? Ons alledaagse bewustzijn – de vaste oever - met zijn zekerheden blijkt dan (veel) minder zeker als we tot dan toe dachten. We zijn van de vaste grond afgevallen - het losse water in. Dat te ontdekken kan een harde dreun zijn, een schrik. In de taal van de metafoor van ‘de man die het water wilde grijpen’ vallen we dan in het water zonder dat daar onze eigen kracht en ons eigen weten nog houvast bieden, terwijl we er niet uit kunnen. Radeloos kun je jezelf voelen als het oude vaste er niet meer is. Juist datgene wat ik in de mij vertrouwde en ingesleten reflex wil grijpen – ís niet meer te grijpen. Minstens zal ik dan met hulp van mijn omgeving mijn zekere weten moeten bijstellen, mijn eigenmacht moeten relativeren, het vertrouwen in mijzelf en in anderen moeten aanpassen om verder te kunnen in het leven van alledag. Mijn idee over wat ik ben en over wat ik kan flink bijstellen. “Nu geloof ik er weer in”, horen we soms mensen zeggen die een tegenslag te boven zijn gekomen. Mensen gaan dan vaak weer verder met een nieuw set aan zekerheden, niet meer precies die van vroeger maar een beetje bijgesteld. Dat is vaak al genoeg, voorlopig althans. ‘De man die het water wilde grijpen’ nadat hij in het water was gesprongen zou je kunnen vergelijken met de man die de bodemloze stilte in gaat, de leegte waarin er niets méér is als ikzelf… die daar zit… en waar ik niet uit weg kan. De vormeloze ruimte die ikzelf ben en waarin zomaar opkomt wat ik zelf ben. Daar ontdekt hij mogelijk in het stille zitten dat alles in zijn lichaam en in zijn geest zich zomaar beweegt. De hartslag in een eindeloze reeks, de gedachten in een altijd voortgaande stroom, de adem als het éne bewegen van het éne lichaam-en-geest dat ik ben in deze omgeving waarmee ik één ben en waar ik niet uit weg kan. Alles wat ik ook maar zijn, waarnemen of gewaarworden kan, is er al vóórdat ik ook maar iets eigenmachtig maak of beheers. ‘Ik zit’, en – zo zei Dogen - ‘Dit (zitten) is HÈT.’ Ik ken de oorsprong niet van mijn denken en ken de oorsprong niet van mijn handelen - omdat ik niet de oorsprong ken van het alles dragende bewustzijn dat ik bèn. Het water waarin Jan sprong is voor degene die de ruimte van de stilte ingaat wellicht dat bewustzijn: ontdekken dat ikzelf niet meer en niet minder ben als DIT unieke éne bewustzijnsmoment… dat zich in dit ogenblik realiseert als wat ik ben… zomaar, om niet…, nergens vandaan voor zover ik weet… Uit het NIETS. Dit meest basale dat ik bén - dit éne unieke bewustzijnsmoment - is LEEG van zichzelf: het zich steeds vernieuwende doet er zich voor zonder dat ik het zelf maak. Mijn afkomst en mijn verleden komen het bewustzijn dat ik ben zomaar te binnen als een veranderlijke voorstelling. Hoe ànders kijk ik om naar mijzelf als kind, of als volwassene, of als oudere? Ook mijn bestemming - zoals ik die in gedachten heb - komt zomaar in mij op als een idee, een veranderlijk concept… waarbij oude ideeën over mijn bestemming vaak niet zijn uitgekomen. “Als ik vroeger toch had geweten wat ik nu weet!”, kunnen mensen lachend zeggen bij het overzien van hun leven. De (ook nog maar beginnende) ervaring dat mijn menszijn is als een zomaar zich realiserend bewustzijnsmoment waarin er geen enkel houvast is, die ervaring kan angst inboezemen. De angst dat ik niet (meer zeker) weet waar mijn leven heengaat. De droevenis dat oude concepten die mij houvast en richting gaven verdampen. Het gevoel dat vroegere zekerheden gaan vervloeien, dat geloofswaarheden hun vastheid verliezen. De ervaring kan zich voordoen dat vermeende verdiensten uit het verleden geen houvast bieden voor mijn toekomst. Eenmaal in het water gesprongen blijkt alles in mij en om mij heen los te zijn geworden, vloeiend, veranderlijk, opkomend en opgaande in het nieuw verschijnende. Maar er is ook een positieve kant. Eenmaal de stilte ingegaan waarin het alledaagse leven stilvalt en waarin het alledaagse spreken tot zwijgen komt… daar kan ik het leren om te drijven in het water, leren om los-latend méé te gaan in het stromen en golven dat ikzelf ben. Zoals ik mij in het water moeiteloos kan laten drijven zonder het water dat mij draagt te willen grijpen – zo kan ik mij in de stilte, in het niet-doen (wu-wei), in het niet-spreken en zelfs in het niet-denken… laten mee-gaan in het stromen zonder begin en zonder einde dat ikzelf bèn. Terwijl ik alledaags doe, spreek, en denk… toch lós… zonder er een houvast van te maken en zonder er een zekerheid in te zoeken… lós… Het staan op de oever is dan niet langer de énige werkelijkheid. De grond onder mijn voeten van het alledaagse leven : daar moet ik op blijven lopen, op blijven werken. Maar ‘de man die het water wilde grijpen’ kan de ervaring hebben opgedaan om ook op de vaste oever van zijn alledaagse leven niet meer te willen grijpen. Hij kan geleerd hebben niet meer naar zekerheden te willen zoeken. Hij kan losheid en beweeglijkheid, vrijheid en rust, veranderlijkheid zonder houvast méénemen in dat alledaagse ervaren. Hij kan de aard van het menselijke bestaan tot zich toelaten. De traditie noemt dit: “hij kwam tot inzicht.” Aan de angst het houvast te verliezen voorbij, sinds hij ervaren heeft dat er geen houvast is. Dat – zoals de Hartsoetra het prachtig uitdrukt - heel zijn persoon en alles wat hij ziet, hoort, voelt, smaakt of ruikt, dat alles wat hij wil of bedenkt… er zomaar ís… vóóraf aan elke zwemslag die hij maken wil, vóóraf aan elk grijpen waartoe hij neigt. Oefening baart kunst. Terug naar ‘Jan’. De sprong in het water heeft hij nooit durven maken. Het leven door heeft Jan vaste grond onder de voeten gezocht door op de oever te blijven. Die vaste oever is herhaaldelijk onder zijn voeten weggezakt. Jan kan boos worden op zichzelf en op anderen dat het zo is gelopen. We lachen er nu samen om dat het zo is gebeurd. We hadden het nooit kunnen bedenken dat het één na het ander zo zou gebeuren, in de mooie dingen van het leven, en in de minder mooie dingen van het leven. Het alledaagse leven in zijn talloze varianten maakt hem vaak onrustig: wat is er al niet veranderd in die vele jaren van leven? Wanneer houden de rampen en spanningen eens een keertje op? Ze moeten eens…, dan zal het beter gaan! De oefening precies DIT te zijn in de ópen beperktheid van dit hier-en-nu is wellicht moeilijk, maar zeer de moeite waard. Niet primair te rekenen en zeker te stellen, maar durven ervaren dat alles veranderlijk is en vluchtig. In het water springen. Leren dat het verleden zoals dat er in mijn gedachten is… of de toekomst zoals die mijn gedachten te binnen komt… nergens anders verschijnen als precies in DIT ogenblik dat ikzelf ben. Wat ben ik méér als dít unieke éne bewustzijnsmoment waarin al wat ik ben, waarneem of gewaarword zich realiseert uit het ongekende, uit het NIETS? Wat ben ik méér als hetgeen ik in precies DIT éne unieke ogenblik ben? Waarbij dit alles LEEG is van zichzelf omdat het is opgekomen uit het NIETS en weldra zal vervloeien in wat nieuw opkomt uit het NIETS, uit het ik-weet-niet-waar- vandaan–of waarheen? Zen in het alledaagse leven. Zen kun je wellicht ook duiden als een diepgaand openstaan voor wat zich zomaar voordoet in het leven dat ikzelf bèn maar niet zelf maak. Leven in verwondering over wat zich almaar voordoet in het bewustzijn dat ik bèn en dat zich realiseert uit het NIETS. De stilte steeds weer ingaan, zonder einde. In het water durven springen om te leren drijven. Het alledaagse leven is zo indrukwekkend dat het mij vaak in de greep neemt en mee sleurt met zichzelf. Dan juist… durven drijven, dan juist durven ervaren dat vastheid schijn is, dat zekerheid een gedachte is, dat eigenmacht een vergissing is. Een losse mens worden, die de zen-weg gaat in het alledaagse leven. De metafoor van ‘de man die het water wilde grijpen’ kan mijn grondhouding vrij en los maken zodra ik tot mij toelaat dat er niets te grijpen valt, dat alles – ja ALLES – gedragen wordt door veranderlijkheid. Dat alles LEEG is van zichzelf: het is er zó… en ooit zal het er zó niet meer zijn… gedragen door dat éne vloeien zonder begin en zonder einde dat ikzelf ben. Gedragen door het ENE dat ikzelf ben. Iets anders ken ik niet. Iets anders is er niet in de ópen beperktheid van dit hier-en-nu. In dit unieke ogenblik waarin het bewustzijn dat ik ben verschijnt. Wonderlijk mooi, bron van dank dát ik er zomaar ben… In de zen-traditie komt het vaak voor dat een meester zich op basis van zijn levenservaring bijzonder aangesproken voelt door een metafoor die voor hem het leven verheldert. Die metafoor is dan als een bril die inzicht geeft in de aard van het bestaan, in alles wat alledaags gebeurt. Die metafoor komt dan vaak terug in de koans die zo’n meester aanbiedt aan zijn leerlingen. Bijvoorbeeld Gutei die steeds met één simpel gebaar – het opsteken van een vinger - verwees naar het ENE dat er maar is. Bijvoorbeeld Jaeger die steeds herhaalde “de oceaan is elke golf.” Bijvoorbeeld meester En van Tozan die aan mensen op het kruispunt van hun leven vroeg: “Wie is die ENE?” Wellicht is het is voor eenieder die de zen-weg gaat de moeite waard om vanuit de eigen levenservaring open te staan voor een metafoor (of een koan) van die kracht. Welke dat is zal de zen-weg die we gaan uit zichzelf tonen. Om eindeloos in los-heid te groeien. En met veel humor iedere keer weer tot (vooral) jezelf te blijven zeggen: “Sukkel die ik ben… toch weer… de man die het water wilde grijpen…!” Dat blijft. Kees van den Muijsenberg.